Conservatoir beslag op onroerend goed geweigerd wegens ontbreken verduisteringsvrees
ECLI:NL:GHAMS:2026:2314, Gerechtshof Amsterdam, 18-08-2026, 200.372.314
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 711 jo. 725 Rv. Verzoek tot conservatoir beslag op onroerende zaken, hoger beroep. Geen gegronde vrees voor verduistering.
Kern van de zaak
Aannemer [appellant] werd door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot betaling van ruim €208.000 aan huiseigenaren wegens gebrekkige verbouwing in 2017. Na voldoening van dit vonnis stelde hij hoger beroep in en verzocht conservatoir beslag op twee onroerende zaken van de wederpartij, als zekerheid voor een mogelijke terugbetalingsverplichting. De voorzieningenrechter weigerde het verlof, waarna appellant in hoger beroep ging bij het Gerechtshof Amsterdam.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst het verzoek tot verlof voor conservatoir beslag af. Doorslaggevend is dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat er gegronde vrees bestaat voor verduistering van de onroerende zaken door de schuldenaren, wat een wettelijk vereiste is op grond van artikel 711 lid 1 jo 725 Rv.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen de vaste rechtspraak rondom conservatoir beslag en stelt geen nieuwe rechtsregels. De relevantie is hoofdzakelijk feitelijk en casuïstisch van aard, zonder bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Conservatoir beslag op onroerende zaken vereist aangetoonde gegronde vrees voor verduistering (art. 711 lid 1 jo 725 Rv).
- 2Het hof is in hoger beroep aan dezelfde maatstaf gebonden als de voorzieningenrechter in eerste aanleg.
- 3Vage stellingen zoals 'niet zo nauw nemen met de feiten' en 'spelen met de gedachte te vertrekken' volstaan niet als bewijs van verduisteringsvrees.
- 4Aan de behandeling van de inhoudelijke grieven over de summiere deugdelijkheid van de vordering wordt niet toegekomen.
- 5Het feit dat appellant het vonnis reeds had voldaan en hoger beroep instelde, rechtvaardigt op zichzelf nog geen beslag.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de drempel voor het verlenen van beslagverlof op onroerende zaken hoog ligt: concrete en onderbouwde feiten over verduisteringsvrees zijn vereist, en abstracte of speculatieve stellingen zijn onvoldoende. Dit sluit aan bij de bestaande lijn in de rechtspraak over artikel 711 jo 725 Rv.
Praktische impact
Voor de aannemer betekent dit dat hij geen zekerheid verkrijgt voor een mogelijke terugbetalingsvordering in hoger beroep, waardoor het risico bestaat dat geïntimeerden bij een eventuele veroordeling niet meer verhaalbaar zijn. Voor schuldenaren biedt de uitspraak bescherming tegen lichtvaardig conservatoir beslag op hun woning.
Onderwerp-impact
In de bouwsector onderstreept deze uitspraak dat aannemers die in geschillen over bouwkwaliteit een veroordeling hebben betaald en in hoger beroep gaan, bij het verzoeken van conservatoir beslag als zekerheid voor terugbetaling met concrete verduisteringsfeiten moeten komen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een geschil dat zijn oorsprong vindt in een verbouwing van een woning in 2017, uitgevoerd door aannemer [appellant]. De rechtbank Noord-Holland veroordeelde hem op 25 februari 2026 tot betaling van ruim €208.581,49, vermeerderd met rente en kosten, aan de huiseigenaren [geïntimeerden] vanwege gebreken in het opgeleverde werk. [Appellant] voldeed aan dit vonnis maar stelde tegelijkertijd hoger beroep in. Om zich in te dekken voor het geval hij in hoger beroep in het gelijk zou worden gesteld en recht zou krijgen op terugbetaling, diende hij een verzoekschrift in bij de rechtbank Amsterdam om conservatoir beslag te mogen leggen op twee onroerende zaken van [geïntimeerden]. De voorzieningenrechter weigerde dit verlof, omdat onvoldoende was gebleken dat het vonnis in hoger beroep vernietigd zou worden en ook een belangenafweging niet in het voordeel van appellant uitviel. In hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam wordt echter aan de inhoudelijke grieven niet toegekomen. Het hof stelt voorop dat conservatoir beslag op onroerende zaken ingevolge artikel 711 lid 1 jo 725 Rv alleen kan worden toegestaan indien de verzoeker aantoont dat er gegronde vrees bestaat voor verduistering van die zaken door de schuldenaar. Het hof is in hoger beroep aan deze zelfde maatstaf gebonden. De door appellant aangevoerde gronden voor verduisteringsvrees — dat [geïntimeerden] het 'niet zo nauw nemen met de feiten' en dat zij zouden 'spelen met de gedachte te vertrekken' — worden als volstrekt onvoldoende beschouwd om die gegronde vrees te onderbouwen. Nu appellant niet heeft voldaan aan het wettelijke vereiste van aangetoonde verduisteringsvrees, wordt het verzoek om beslagverlof afgewezen. De beschikking van de voorzieningenrechter wordt daarmee, zij het op andere gronden, bekrachtigd.