Teler verliest deels: schadevergoeding bloemenopbrengst gedeeltelijk toegewezen
ECLI:NL:GHAMS:2026:2492, Gerechtshof Amsterdam, 01-09-2026, 200.314.267/01 en 200.320.485/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)overeenkomst van opdracht voor teelt/verzorging van pioenrozen, eindarrest na tussenarrest (ECLI:NL:GHAMS:2025:2287).
Kern van de zaak
Een teler (geïntimeerde 4) vordert € 109.001 schadevergoeding van geïntimeerde 1 wegens tekortkoming in de nakoming van een teeltovereenkomst: de bloemenopbrengst van 2 hectares pioengewas zou niet correct zijn afgedragen. De zaak betreft uitleg van een nadere afspraak bij artikel 3 lid 3 van de teeltovereenkomst en de vraag hoeveel opbrengst per hectare is gerealiseerd.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam wijst de vorderingen van geïntimeerde 1 gedeeltelijk toe en veroordeelt geïntimeerde 4 als overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (€ 5.192,27). De doorslaggevende reden is dat geïntimeerde 4 zijn stelplicht en bewijslast onvoldoende heeft waargemaakt ten aanzien van de gestelde te lage opbrengstafdracht, terwijl de rechtbank op basis van de overgelegde financiële gegevens de bloemenopbrengsten per jaar heeft kunnen vaststellen.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk en contractueel specifiek geschil over de uitvoering van een teeltovereenkomst tussen twee private partijen; de uitspraak stelt geen nieuwe rechtsnormen en heeft beperkte precedentwerking buiten de directe context.
Belangrijkste punten
- 1De nadere afspraak over verkoop van bloemen op naam van geïntimeerde 4 via de veiling en afdracht van opbrengst was in hoger beroep niet bestreden.
- 2Het hof had geïntimeerde 1 op grond van artikel 22 lid 1 Rv bevolen om per jaar (2018, 2019, 2020) opbrengstinformatie en onderliggende documenten te verstrekken.
- 3De stelplicht en bewijslast voor te lage afdracht rust bij geïntimeerde 4 als eisende partij.
- 4In 2018 bedroeg de gerealiseerde bloemenopbrengst van geïntimeerde 1 € 282.773 volgens de jaarrekening.
- 5In reconventie zijn proceskosten gecompenseerd; in conventie wordt geïntimeerde 4 als overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 22 Rv als instructiemiddel om financiële transparantie bij een contractspartij af te dwingen, terwijl de stelplicht en bewijslast onverminderd bij de eisende partij blijven. De zaak illustreert hoe rechters bij agrarische teeltovereenkomsten de opbrengstvaststelling per hectare benaderen.
Praktische impact
Geïntimeerde 4 ontvangt niet de volledige gevorderde € 109.001 en wordt veroordeeld in proceskosten van ruim € 5.192; telers in vergelijkbare contractuele situaties worden gewaarschuwd dat onvoldoende onderbouwing van schade fataal kan zijn ondanks een informatiebevel aan de wederpartij.
Onderwerp-impact
Voor de agrarische sector benadrukt deze uitspraak het belang van gedetailleerde contractuele afspraken en gedegen registratie van bloemenopbrengsten per perceel, zodat bij geschillen over afdracht de bewijspositie afdoende is.
Samenvatting
Dit arrest van het Gerechtshof Amsterdam betreft een hoger beroep in een geschil over de uitvoering van een teeltovereenkomst voor pioenrozen. Geïntimeerde 4 vorderde € 109.001 schadevergoeding van geïntimeerde 1, stellende dat deze tekortgeschoten was in haar contractuele verplichting om de bloemenopbrengst van 2 hectares aan hem af te dragen. Partijen hadden een nadere afspraak gemaakt inhoudende dat geïntimeerde 1 de bloemen zou aanleveren, deze op naam van geïntimeerde 4 via de veiling zou worden verkocht en de opbrengst vervolgens zou worden afgedragen. Dit stond in hoger beroep vast. Het hof had in een eerder tussenarrest geïntimeerde 1 op grond van artikel 22 lid 1 Rv gelast om per jaar (2018, 2019 en 2020) de gerealiseerde bloemenopbrengsten en het bijbehorende areaal te onderbouwen met documenten. Op basis van de jaarrekening kon voor 2018 een bloemenopbrengst van € 282.773 worden vastgesteld. Desondanks benadrukt het hof dat de stelplicht en bewijslast voor de gestelde te lage afdracht bij geïntimeerde 4 als eisende partij lagen. Het hof concludeert dat geïntimeerde 4 als overwegend in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt en veroordeelt hem in de proceskosten in conventie, begroot op € 5.192,27 aan de zijde van geïntimeerde 1. In reconventie worden de kosten gecompenseerd, nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld. De uitspraak illustreert dat een rechterlijk informatiebevel de bewijslastverdeling niet verschuift en dat een eisende partij zijn schadevordering zelfstandig afdoende moet onderbouwen.