Schadevergoeding stolpboerderij: uitvoerbaarheid bij voorraad gehandhaafd
ECLI:NL:GHAMS:2026:1820, Gerechtshof Amsterdam, 07-07-2026, 200.366.362/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv; afwijzing.
Kern van de zaak
Kopers van een stolpboerderij met bijgebouw stellen dat het bijgebouw gebreken vertoont (waterleiding, constructie, elektra). De rechtbank kende hen schadevergoeding toe van ruim €151.000 en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Verkopers gingen in hoger beroep en vorderden in een incident schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad.
Beslissing van de rechter
Het hof beoordeelt het incident over de uitvoerbaarheid bij voorraad en past de geldende maatstaf toe: uitgangspunt is dat een veroordeling hangende hoger beroep uitvoerbaar moet zijn, tenzij het belang van de veroordeelde zwaarder weegt. De incidentele vordering van appellanten (verkopers) tot schorsing wordt kennelijk afgewezen, nu geen kennelijke misslag in de bestreden beslissing is aangetoond.
Impactscore
LaagHet betreft een incidentele beslissing over uitvoerbaarheid bij voorraad in een reguliere vastgoedgeschil zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De uitspraak past enkel bestaande jurisprudentie toe op een feitelijk geval.
Belangrijkste punten
- 1Kopers ontvangen €151.251,11 schadevergoeding wegens gebreken aan het bijgebouw van een gekochte stolpboerderij
- 2Gebreken betreffen waterleiding, bouwkundige constructie en elektrische installatie van het bijgebouw
- 3Rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad; verkopers maakten hier bezwaar tegen in incident
- 4Het hof past de standaardmaatstaf toe: uitvoerbaarheid bij voorraad is het uitgangspunt, afwijking vereist zwaarwegende belangen aan de zijde van de veroordeelde
- 5Kans van slagen van het hoger beroep blijft buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de vaste Hoge Raad-maatstaf inzake uitvoerbaarheid bij voorraad (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026) toe zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De beslissing bevestigt dat een gemotiveerde uitvoerbaarverklaring in eerste aanleg hoge drempel opwerpt voor schorsing in incident.
Praktische impact
De verkopers dienen de schadevergoeding van ruim €151.000 plus rente en buitengerechtelijke kosten te voldoen ondanks lopend hoger beroep. Kopers kunnen direct tot executie overgaan zonder zekerheidstelling.
Onderwerp-impact
Voor de vastgoedpraktijk bevestigt dit dat gebreken aan bijgebouwen bij woningverkoop tot substantiële aansprakelijkheid kunnen leiden, en dat vonnissen in dergelijke zaken doorgaans direct uitvoerbaar zijn.
Samenvatting
In deze zaak staat centraal een geschil over een gekochte stolpboerderij met bijgebouw. De kopers (geïntimeerden) kochten het onroerend goed van de verkopers (appellanten), maar stelden dat het bijgebouw ernstige gebreken vertoonde: de waterleiding, de bouwkundige constructie en de elektrische installatie voldeden niet aan de verwachtingen die op grond van de koopovereenkomst gerechtvaardigd waren. De stolpboerderij zelf werd wél conform bevonden. Na een deskundigenbericht begrote de rechtbank de schade en veroordeelde de verkopers hoofdelijk tot betaling van €151.251,11 aan schadevergoeding en €2.767,89 aan buitengerechtelijke kosten, beide vermeerderd met rente. De reconventionele vordering van verkopers werd afgewezen. Het eindvonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De verkopers kwamen in hoger beroep en vorderden in een incident bij het Gerechtshof Amsterdam schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. De juridische vraag in het incident is of de door de rechtbank gemotiveerde uitvoerbaarverklaring bij voorraad in stand moet blijven. Het hof past de standaardmaatstaf toe zoals ontwikkeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad: het uitgangspunt is dat een rechterlijke veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar moet zijn en zonder zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt is slechts gerechtvaardigd indien de belangen van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder wegen dan die van de winnende partij bij directe executie. Bij de beoordeling wordt uitgegaan van de vaststellingen en oordelen in het bestreden vonnis; de kans van slagen van het hoger beroep blijft buiten beschouwing, tenzij de beslissing berust op een kennelijke misslag. Nu de uitvoerbaarverklaring in eerste aanleg gemotiveerd is en geen kennelijke misslag wordt vastgesteld, wordt de incidentele vordering tot schorsing afgewezen. De kopers kunnen de toegewezen schadevergoeding direct executeren.