Hoge Raad: Gedeeltelijke nietigheid koopovereenkomst onroerend goed mogelijk
ECLI:NL:HR:2026:681, Hoge Raad, 17-04-2026, 25/01523
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vermogensrecht. Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Vrouw vernietigt overeenkomst ten aanzien van echtelijke woning op grond van art. 1:89 lid 1 BW. Hof oordeelt dat overeenkomst nietig is voor zover die ziet op echtelijke woning, maar dat overeenkomst ten aanzien van overige, bedrijfsmatige onroerende zaken in stand blijft (art. 3:41 BW). O.m. klachten dat hof met oordeel van partiële nietigheid grenzen van rechtsstrijd heeft miskend en ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven.
Kern van de zaak
Een koopovereenkomst waarbij onroerende zaken werden verkocht ter zekerheid van een schuld werd aangevochten. De echtgenoot had geen toestemming gegeven voor de verkoop van de echtelijke woning (art. 1:88 BW). De vraag was of de gehele overeenkomst nietig was of alleen het deel dat de privéwoning betrof.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad oordeelt dat de koopovereenkomst partieel in stand kan blijven voor de bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken, op grond van artikel 3:41 BW. De doorslaggevende reden is dat het nietigheidsgebrek (ontbrekende toestemming ex art. 1:88 BW) slechts het privédeel betreft en de bedrijfsmatige percelen niet in onverbrekelijk verband staan met het nietige deel.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad geeft een principiële verduidelijking van de maatstaf voor art. 3:41 BW en de verhouding tot art. 1:88 BW, met relevantie voor een breed scala aan gemengde vastgoed- en zekerheidstransacties. Omdat de uitspraak op basis van een fragment is beoordeeld en de volledige context ontbreekt, wordt de score conservatief gehouden.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 3:41 BW biedt de grondslag voor partiële instandhouding van een deels nietige rechtshandeling
- 2Wilsovereenstemming over essentialia is geen vereiste voor partiële nietigheid; de gerichtheid op de gehele overeenkomst doet er niet aan af
- 3De strekking van art. 1:88 lid 1 BW beschermt de echtelijke woning, maar strekt zich niet uit tot bedrijfsmatige onroerende zaken
- 4Bij beoordeling van onverbrekelijk verband spelen aard, inhoud, strekking en partijbedoeling een rol
- 5De zekerhedenstrekking van de overeenkomst (afstand retentierecht tegenover koopzekerheid) wordt ook gediend door gedeeltelijke overdracht
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt de maatstaf voor partiële nietigheid ex art. 3:41 BW: niet de wilsovereenstemming over het resterende deel is bepalend, maar het al dan niet bestaan van een onverbrekelijk verband tussen het nietige en het geldige deel. Dit heeft richtinggevende betekenis voor de toepassing van partiële nietigheid bij gemengde overeenkomsten.
Praktische impact
Partijen bij overeenkomsten waarbij privé- en bedrijfsvermogen gemengd zijn, kunnen worden geconfronteerd met een gedeeltelijke aantasting van hun rechtsverhouding. De koper (Bincx/verweerster) behoudt aanspraak op de bedrijfsmatige percelen ondanks het ontbreken van toestemming van de echtgenoot voor de woning.
Onderwerp-impact
Voor vastgoedtransacties waarbij zowel woon- als bedrijfspanden betrokken zijn, bevestigt deze uitspraak dat art. 1:88 BW-toestemming selectief werkt en dat splitsing van overeenkomsten juridisch mogelijk en soms geboden is.
Samenvatting
In deze zaak bij de Hoge Raad staat de vraag centraal of een koopovereenkomst die deels nietig is wegens het ontbreken van de vereiste toestemming van een echtgenoot op grond van artikel 1:88 lid 1 BW, geheel of slechts gedeeltelijk nietig is. De overeenkomst betrof meerdere onroerende zaken: zowel een echtelijke woning (privégebruik) als bedrijfsmatig gebruikte percelen. Voor de privéwoning ontbrak de wettelijk vereiste toestemming van de echtgenoot, hetgeen tot nietigheid van dat deel leidde. Verweerster (Bincx) betoogde dat de bedrijfsmatige percelen wel degelijk geldig verkocht konden blijven, mede omdat een taxatie een afzonderlijke waarde van € 295.000 voor die percelen had vastgesteld. De Hoge Raad oordeelt dat bij de beoordeling van partiële nietigheid niet de vraag relevant is of partijen afzonderlijk wilsovereenstemming hebben bereikt over het geldige deel. De wilsovereenstemming zag immers op de gehele overeenkomst. Bepalend is artikel 3:41 BW: de rechtshandeling blijft voor het overige in stand, tenzij het geldige deel in onverbrekelijk verband staat met het nietige deel. Bij deze beoordeling spelen de aard, inhoud en strekking van de overeenkomst, de samenhang tussen de onderdelen en de partijbedoeling een rol, in het licht van alle omstandigheden en de belangen van partijen. In dit geval was de strekking van de koopovereenkomst het bieden van zekerheid aan verweerster voor de aflossing van een grote schuld, waarvoor zij haar retentierecht op de bouwplaats opgaf. Die zekerhedenstrekking wordt ook gediend — zij het in mindere mate — door gedeeltelijke overdracht van alleen de bedrijfsmatige percelen. De beschermingsgedachte achter art. 1:88 BW noopt tot aantasting van het privédeel, maar verzet zich niet tegen instandhouding van het bedrijfsmatige deel. De Hoge Raad laat de koopovereenkomst derhalve partieel in stand.