Kort geding ontruiming huurder mogelijk ondanks art. 7:268 BW
ECLI:NL:HR:2026:1240, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/01531
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Huurrecht woonruimte. Art. 7:268 lid 2 BW. Voortzetting van huurovereenkomst door achterblijvende samenwoner na overlijden van huurder. Kan ontruimingsvordering in kort geding worden toegewezen als nog niet onherroepelijk is beslist op vordering van achterblijvende samenwoner tot voortzetting van huur?
Kern van de zaak
Na het overlijden van een huurder van woonruimte bleef een samenwoner achter die op grond van art. 7:268 lid 2 BW aanspraak maakte op voortzetting van de huurovereenkomst. De verhuurder vorderde in kort geding ontruiming, terwijl een bodemprocedure over de voortzetting nog liep. In geschil was of de kortgedingrechter op de uitkomst van de bodemzaak mocht vooruitlopen.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad wijst het cassatiemiddel toe en oordeelt dat de kortgedingrechter wel degelijk een ontruimingsvordering kan toewijzen tegen een achterblijvende samenwoner, ook als een bodemprocedure ex art. 7:268 lid 2 BW nog loopt. De doorslaggevende reden is dat de kortgedingrechter dit mag doen zodra hij het evident acht dat de voortzettingsvordering in de bodemprocedure zal worden afgewezen.
Impactscore
HoogDit is een uitspraak van de Hoge Raad die een principiële rechtsvraag over de reikwijdte van art. 7:268 lid 2 BW beantwoordt en daarmee een duidelijke norm stelt voor alle lagere rechters in vergelijkbare geschillen over huurvoortzetting na overlijden.
Belangrijkste punten
- 1Art. 7:268 lid 2 BW geeft de achterblijvende samenwoner het recht de huurovereenkomst zes maanden voort te zetten na overlijden huurder, en daarna zolang op diens vordering niet onherroepelijk is beslist.
- 2Het hof oordeelde ten onrechte dat de kortgedingrechter nooit op de uitkomst van de bodemprocedure mag vooruitlopen vanwege de bescherming van art. 7:268 lid 2 BW.
- 3De Hoge Raad stelt als norm dat de kortgedingrechter ontruiming kan bevelen indien hij het evident acht dat de voortzettingsvordering in de bodemzaak zal worden afgewezen.
- 4De kortgedingrechter dient zich in beginsel te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure, ook bij wettelijke beschermingsregels zoals art. 7:268 BW.
- 5Art. 7:268 lid 2 BW staat op zichzelf niet in de weg aan toewijzing van een ontruimingsvordering in kort geding; de evident-toets is de sleutel.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt de verhouding tussen het kortgeding en de beschermingsregel van art. 7:268 lid 2 BW: het enkele bestaan van een lopende bodemprocedure over huurvoortzetting sluit een ontruimingsoordeel in kort geding niet uit. De evident-toets geldt als drempel voor de kortgedingrechter.
Praktische impact
Verhuurders kunnen ook bij een lopende bodemprocedure over huurvoortzetting succesvol ontruiming vorderen in kort geding als de kans op afwijzing van de voortzettingsvordering evident is. Achterblijvende samenwoners genieten dus minder absolute bescherming dan het hof aannam.
Onderwerp-impact
In huurrechtgeschillen rondom overlijden van de hoofdhuurder verschuift de balans: de tijdelijke bescherming van art. 7:268 lid 2 BW is niet absoluut en kan in schrijnende of evidente gevallen worden doorbroken via een kort geding.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2026 betreft de vraag of een kortgedingrechter een vordering tot ontruiming van een achterblijvende samenwoner kan toewijzen, terwijl een bodemprocedure over de voortzetting van de huurovereenkomst op grond van art. 7:268 lid 2 BW nog loopt. Na het overlijden van de huurder van woonruimte heeft een samenwoner die geen medehuurder was maar wel een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, op grond van art. 7:268 lid 2 BW het recht de huurovereenkomst zes maanden voort te zetten. Als hij binnen die termijn een vordering tot nadere voortzetting instelt, loopt de huurovereenkomst door totdat onherroepelijk op die vordering is beslist. Het hof had geoordeeld dat de kortgedingrechter in dit geval niet op het oordeel van de bodemrechter mocht vooruitlopen, omdat dit de door de wetgever beoogde bescherming zou doorkruisen. De Hoge Raad verwerpt dit oordeel en stelt een genuanceerde norm: art. 7:268 lid 2 BW staat er niet aan in de weg dat de kortgedingrechter een ontruimingsvordering toewijst zolang een bodemprocedure loopt, mits hij het evident acht dat de voortzettingsvordering in die bodemprocedure zal worden afgewezen. De Hoge Raad benadrukt daarmee het fundamentele beginsel dat de kortgedingrechter zich dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure, ook wanneer een wettelijke beschermingsregel van toepassing is. Deze uitspraak heeft betekenis voor de praktijk van huurrecht en kort geding: de bescherming van de achterblijvende samenwoner is reëel maar niet absoluut. Verhuurders die kunnen aantonen dat de voortzettingsvordering evident kansloos is, hebben toegang tot een effectief rechtsmiddel via de kortgedingrechter, zonder te hoeven wachten op een onherroepelijke bodemuitspraak.