JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1197Hoog72/100

Hoge Raad: terugverwijzing toegestaan na onterechte niet-ontvankelijkheid collectieve actie

ECLI:NL:HR:2026:1197, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/03432

Hoge RaadUitspraak: 17 juli 2026Publicatie: 6 juli 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:24/03432
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Overheid
Aansprakelijkheid
Niet Ontvankelijkheid
Hoger Beroep
Collectieve Actie
Terugverwijzing
Artikel 305a Bw

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Internationaal privaatrecht, bevoegdheid. Art. 8 sub 1 Verordening Brussel I-bis, art. 6 sub 1 EVEX II-Verdrag, art. 7 lid 1 Rv (forum connexitatis), eenzelfde situatie rechtens. Collectieve actie art. 3:305a (oud) BW, verklaring voor recht m.b.t. manipulatie van JPY LIBOR rentebenchmark. Uitzondering op verbod van terugwijzing in collectieve acties op voet van art. 3:305a (oud) BW? Samenhang met zaken 24/03449, 24/03448, 24/03443, 24/03452 en met zaken 24/04650 en 24/04656.

Kern van de zaak

Een stichting (D) had collectieve vorderingen ingesteld op grond van artikel 3:305a (oud) BW. De rechtbank verklaarde de stichting ten onrechte niet-ontvankelijk op louter processuele gronden, waarna het hof in hoger beroep de vonnissen vernietigde en de zaak terugverwees naar de rechtbank.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad bekrachtigt dat terugverwijzing naar de rechtbank is toegestaan, omdat de stichting in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard op louter processuele gronden zonder inhoudelijke behandeling. Dit geval wordt gelijkgesteld met de erkende uitzondering op het terugverwijzingsverbod bij onterecht ontslag van instantie.

72van 100

Impactscore

Hoog

De Hoge Raad stelt een nieuwe, duidelijk omschreven uitzondering op het terugverwijzingsverbod vast die rechtstreeks relevant is voor alle collectieve actieprocedures onder artikel 3:305a BW, een breed toegepaste regeling met grote maatschappelijke reikwijdte.

Belangrijkste punten

  • 1De stichting voldeed aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a (oud) BW; de niet-ontvankelijkverklaring in eerste aanleg was onjuist.
  • 2Terugverwijzing naar de rechtbank is gerechtvaardigd als een zaak uitsluitend op processuele gronden niet inhoudelijk is behandeld, ook bij collectieve acties.
  • 3Het verbod op terugverwijzing in hoger beroep kent een uitzondering wanneer de eerste rechter ten onrechte onbevoegd verklaart of ontslag van instantie verleent; dit geval wordt daaraan gelijkgesteld.
  • 4De processuele afspraken van partijen om eerst voorvragen te behandelen vóór het materiële geschil, ondersteunen de keuze voor terugverwijzing.
  • 5Het feit dat terugverwijzing tot een langere procedure leidt, doet geen afbreuk aan de door de wetgever beoogde efficiëntie van de collectieve actie.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad verduidelijkt de reikwijdte van het verbod op terugverwijzing in hoger beroep en erkent een nieuwe categorie gevallen waarin terugverwijzing geoorloofd is: onterechte niet-ontvankelijkverklaring in een collectieve actie op louter processuele gronden. Dit heeft directe betekenis voor de toepassing van artikel 3:305a BW en de inrichting van collectieve procedures.

Praktische impact

Stichtingen en andere organisaties die collectieve acties instellen worden beschermd tegen definitief verlies van een feitelijke instantie bij onterechte niet-ontvankelijkverklaringen; zij behouden hun recht op behandeling in twee feitelijke instanties.

Onderwerp-impact

Voor overheids- en privaatrechtelijke collectieve procedures bevestigt deze uitspraak dat proceduretechnische fouten in eerste aanleg niet mogen leiden tot het overslaan van een volledige feitelijke instantie, hetgeen de toegang tot de rechter voor collectieven versterkt.

Samenvatting

In deze zaak had een stichting collectieve vorderingen ingesteld op grond van artikel 3:305a (oud) BW. De rechtbank verklaarde de stichting in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk op louter processuele gronden, zonder toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van het materiële geschil. In hoger beroep stelde het hof vast dat de stichting wél voldeed aan de ontvankelijkheidseisen en vernietigde het de vonnissen van de rechtbank. De centrale juridische vraag was of het hof de zaak kon en mocht terugverwijzen naar de rechtbank, of dat het de zaak zelf inhoudelijk moest afdoen. In beginsel geldt in het Nederlandse procesrecht een verbod op terugverwijzing: de hogere rechter mag zich niet onttrekken aan zijn taak door een beslissing over te laten aan de rechter die de zaak reeds heeft beoordeeld. Op dit verbod bestaan echter uitzonderingen, met name wanneer de rechter in eerste aanleg zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard of ten onrechte ontslag van instantie heeft verleend. De Hoge Raad oordeelt dat het geval van een onterechte niet-ontvankelijkverklaring in een collectieve actie op één lijn gesteld kan worden met deze erkende uitzonderingen. Er is immers eveneens op louter processuele gronden niet toegekomen aan een inhoudelijke behandeling. Terugverwijzing is in dit geval een duidelijk omschreven en in de praktijk goed hanteerbare uitzondering. De omstandigheid dat terugverwijzing tot een langere procedure leidt, doet daar niet aan af: de door de wetgever beoogde efficiëntie van de collectieve actie ziet op de gebundelde afdoening van vorderingen in twee feitelijke instanties, niet op het overslaan van een instantie. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere inhoudelijke behandeling.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Civiel recht

ECLI:NL:HR:2026:1283Laag
Huurrecht
Civiel recht

ECLI:NL:HR:2026:1283, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/00796

Hoge Raad17 jul 2026VastgoedRetail
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1281Middel
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1281, Hoge Raad, 17-07-2026, 26/00083

Hoge Raad17 jul 2026OverheidDienstverlening
55/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1286Laag
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1286, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/02551

Hoge Raad17 jul 2026Dienstverlening
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1284Laag
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1284, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/01722

Hoge Raad17 jul 2026DienstverleningBouw
12/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied