Dexia-verjaring: Hoge Raad-norm toegepast door Hof Den Bosch
ECLI:NL:GHSHE:2026:382, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17-02-2026, 200.350.084/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Dexia, huurkoop.
Kern van de zaak
Een afnemer van Dexia-effectenleaseovereenkomsten procedeert over de vernietigbaarheid van die overeenkomsten wegens ontbrekende toestemming van de echtgenote (art. 1:88 BW). Dexia beroept zich op verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging. De kantonrechter paste een andere (strengere) maatstaf toe voor het aanvangen van de verjaringstermijn dan de Hoge Raad later voorschreef.
Beslissing van de rechter
Het hof volgt het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1168) en oordeelt dat grief 1 van Dexia terecht is voorgesteld: de kantonrechter ging uit van een onjuiste maatstaf bij de beoordeling van de verjaring. Het vonnis van de kantonrechter dient te worden vernietigd, omdat voor aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:52 lid 1 onder d BW niet vereist is dat de niet-handelende echtgenoot ook inzag dat haar toestemming nodig was.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past enkel de door de Hoge Raad vastgestelde norm toe en introduceert geen nieuwe rechtsvraag, maar heeft vanwege de grote hoeveelheid nog lopende Dexia-zaken wel praktische relevantie voor een specifieke groep rechtzoekenden.
Belangrijkste punten
- 1De Hoge Raad (18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1168) stelde vast dat voor aanvang van de verjaringstermijn ex art. 3:52 lid 1 onder d BW bekendheid met de overeenkomst volstaat, zonder dat de niet-handelende echtgenoot hoefde te beseffen dat haar toestemming vereist was.
- 2Het gerechtshof Amsterdam had in april 2024 nog een andere, strengere norm gehanteerd (vereiste van inzicht in toestemmingsplicht), maar de Hoge Raad heeft dit gecorrigeerd.
- 3Het hof 's-Hertogenbosch is gebonden aan het oordeel van de Huge Raad en wijst het standpunt van de afnemer (dat de Amsterdamse norm zou moeten gelden) af.
- 4De kantonrechter had ten onrechte als maatstaf gehanteerd dat de niet-handelende echtgenoot moest kunnen concluderen dat art. 1:88 BW van toepassing was op de overeenkomsten.
- 5Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd; de uitkomst van de zaak kantelt daarmee in het voordeel van Dexia op het verjaringsverweer.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de door de Hoge Raad in 2025 neergelegde norm voor aanvang van de verjaringstermijn bij effectenleasegeschillen (art. 3:52 lid 1 onder d BW), waarmee de strengere Amsterdamse norm definitief van de baan is. Dit heeft directe gevolgen voor de nog lopende Dexia-procedures bij lagere rechters.
Praktische impact
Afnemers (en hun echtgenoten) die een beroep doen op vernietiging van effectenleaseovereenkomsten wegens ontbrekende toestemming, zullen vaker stuiten op een geslaagd verjaringsverweer van Dexia nu een lichtere bekendheidseis geldt voor aanvang van de termijn.
Onderwerp-impact
In de financiële dienstverlening — en specifiek de nog altijd lopende Dexia-effectenleasezaken — zorgt deze uitspraak voor verdere verduidelijking en afwikkeling ten gunste van Dexia op het verjaringspunt.
Samenvatting
Deze zaak betreft een geschil tussen een afnemer van Dexia-effectenleaseovereenkomsten en Dexia over de vraag of de bevoegdheid tot vernietiging van die overeenkomsten op grond van artikel 1:88 BW (toestemmingsvereiste echtgenoot) is verjaard. De kantonrechter had het verjaringsverweer van Dexia verworpen, omdat hij als maatstaf hanteerde dat de niet-handelende echtgenote niet alleen op de hoogte moest zijn van de overeenkomsten, maar ook moest hebben ingezien dat haar toestemming daarvoor vereist was. Dexia stelde in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch dat dit een onjuiste maatstaf was. In een eerder tussenarrest had het hof al aangegeven voorshands te oordelen dat grief 1 van Dexia terecht was voorgesteld, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1168). In dat arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat voor het aanvangen van de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1 onder d BW bekendheid van de niet-handelende echtgenoot met de overeenkomst volstaat; niet vereist is dat zij ook inzag dat haar toestemming nodig was. De afnemer betoogde dat de strengere norm die het gerechtshof Amsterdam in april 2024 had gehanteerd — waarbij juist wél inzicht in de toestemmingsplicht vereist was — de voorkeur verdiende. Het hof 's-Hertogenbosch verwerpt dit standpunt kort en bondig: de Hoge Raad heeft dit vraagstuk beslecht en de Amsterdamse norm is daarmee achterhaald. Het gevolg is dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd. Voor de praktijk betekent dit dat afnemers in Dexia-zaken bij een beroep op vernietiging wegens ontbrekende echtelijke toestemming eerder zullen worden geconfronteerd met een geslaagd verjaringsverweer, nu voor aanvang van de driejaarstermijn een beperktere bekendheidseis geldt.