Kleinzoon verliest strijd om huurovername na overlijden grootmoeder
ECLI:NL:GHDHA:2026:2844, Gerechtshof Den Haag, 08-09-2026, 200.347.376/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Huur van woonruimte. Artikel 7:268 lid 2 BW. Kleinzoon wil huurovereenkomst grootmoeder voortzetten na haar overlijden. Hof oordeelt dat kleinzoon onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding had met grootmoeder
Kern van de zaak
Een kleinzoon (appellant) woonde in bij zijn grootmoeder, de huurster van een sociale huurwoning van Haag Wonen. Na het overlijden van zijn grootmoeder vorderde hij voortzetting van de huur op grond van artikel 7:268 lid 2 BW. Haag Wonen weigerde dit omdat de kleinzoon geen huisvestingsvergunning had en onvoldoende financiële waarborgen bood, en betwistte ook het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Den Haag bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 23 juli 2024, waarmee de vordering van de kleinzoon tot huurovername wordt afgewezen. Doorslaggevend is dat de kleinzoon, gelet op de verzwaarde stelplicht die rust op hem nu Haag Wonen de gemeenschappelijke huishouding gemotiveerd heeft betwist, onvoldoende concrete feiten heeft aangevoerd om een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn grootmoeder aannemelijk te maken.
Impactscore
LaagHet betreft een bekrachtiging van een kantonrechtervonnis in een individuele huurzaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak past geheel binnen bestaande jurisprudentie over art. 7:268 lid 2 BW en de verzwaarde stelplicht.
Belangrijkste punten
- 1Voortzetting van huur op grond van art. 7:268 lid 2 BW vereist dat de achterblijvende bewoner aannemelijk maakt dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding had met de overleden huurder.
- 2Bij gemotiveerde betwisting door de verhuurder rust op de bewoner een verzwaarde stelplicht: hij moet voldoende concrete feiten aanvoeren over de gestelde gemeenschappelijke huishouding.
- 3De duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding wordt beoordeeld aan de hand van zowel objectieve factoren (duur samenwoning) als subjectieve factoren (bedoeling van de betrokkenen).
- 4Het gezamenlijk voorzien in kosten van huisvesting of levensonderhoud is geen harde voorwaarde, maar wel een relevante omstandigheid bij de beoordeling.
- 5De appellant werd veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep van € 3.558,-.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij een gemotiveerde betwisting van de gemeenschappelijke huishouding door de verhuurder een verzwaarde stelplicht op de bewoner rust, en dat onvoldoende concrete onderbouwing leidt tot afwijzing van de huurvoorzettingsvordering ex art. 7:268 lid 2 BW.
Praktische impact
Bewoners die na het overlijden van een huurder de huur willen voortzetten, dienen tijdig en concreet bewijs te verzamelen over de gezamenlijke huishouding — zoals gedeelde kosten, duur van samenwoning en gezamenlijke bedoelingen — om aan de verhoogde stelplicht te voldoen.
Onderwerp-impact
Voor de sociale huursector bevestigt dit arrest dat woningcorporaties als Haag Wonen met een gemotiveerde betwisting de bewijslast effectief bij de bewoner kunnen neerleggen, wat huurovername na overlijden bemoeilijkt voor niet-directe familieleden.
Samenvatting
In deze zaak vorderde een kleinzoon voortzetting van de huurovereenkomst van zijn in 2023 of 2024 overleden grootmoeder, bij wie hij inwoonde in een sociale huurwoning van woningcorporatie Haag Wonen. De juridische grondslag voor een dergelijke huurovername is artikel 7:268 lid 2 BW, dat bepaalt dat een persoon die zijn hoofdverblijf had in de woning maar geen (mede)huurder was, de huur kan voortzetten indien hij aannemelijk maakt dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met de overleden huurder. Haag Wonen betwistte gemotiveerd het bestaan van zo'n gemeenschappelijke huishouding en wees daarnaast op het ontbreken van een huisvestingsvergunning en onvoldoende financiële waarborgen aan de zijde van de kleinzoon. Het Gerechtshof Den Haag stelt voorop dat bij een gemotiveerde betwisting door de verhuurder een verzwaarde stelplicht op de bewoner rust: hij moet voldoende concrete feiten aanvoeren over de gestelde gemeenschappelijke huishouding, zodat de verhuurder weet waartegen zij haar verweer moet richten. Voor de beoordeling of de huishouding 'duurzaam' was, kijkt het hof zowel naar objectieve factoren — zoals de duur van de samenwoning — als naar subjectieve factoren, zoals de bedoelingen van de betrokkenen. Het gezamenlijk dragen van woon- en leefkosten is daarbij geen absolute vereiste, maar wel een relevante omstandigheid. De kleinzoon slaagde er niet in om aan deze verzwaarde stelplicht te voldoen en kon de duurzame gemeenschappelijke huishouding niet aannemelijk maken. Het hof bekrachtigt daarmee het vonnis van de kantonrechter van 23 juli 2024, waarbij de vordering tot huurovername werd afgewezen. De kleinzoon wordt tevens veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep van € 3.558,-. De uitspraak illustreert hoe hoog de lat ligt voor niet-directe familieleden die na het overlijden van een huurder aanspraak willen maken op huurovername in de sociale sector.