Huurder moet boetes betalen wegens aanhoudende lekkages
ECLI:NL:GHAMS:2026:333, Gerechtshof Amsterdam, 10-02-2026, 200.328.076/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verhuurder is overeengekomen vergoedingen aan huurster verschuldigd wegens niet tijdig verhelpen lekkages souterrain. Lekkages worden aangemerkt als gebrek. Huurster heeft recht op huurprijsvermindering. Niet toewijsbaar zijn de vorderingen van huurster tot (i) herstel van het souterrain, (ii) huurkorting in verband met de coronacrisis en (iii) matiging van de huurindexering. Wetsartikelen: 6:119a, 6:258, 7:204, 7:206, 7:207, 7:209 BW.
Kern van de zaak
Een huurder (geïntimeerde) en verhuurder (appellante) sloten een minnelijke regeling over lekkages in het gehuurde pand. De huurder stelde dat de lekkages tijdig waren verholpen en de boetecondities niet in vervulling waren gegaan. De verhuurder vorderde betaling van de overeengekomen boetes van €10.000 en €5.000.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt gedeeltelijk het vonnis van de kantonrechter en vernietigt het vonnis deels: de huurder is de overeengekomen boetes verschuldigd omdat de lekkages niet tijdig waren verholpen, en de huurkorting voor de verhuurder vervalt per 1 september 2024 waarna de volledige contractuele huurprijs weer verschuldigd is. Doorslaggevend zijn de bevindingen van onafhankelijke inspectiebedrijven die op 20 februari 2020 en 20 augustus 2021 nog lekkages constateerden.
Impactscore
LaagHet betreft een casusgericht geschil over uitleg van een minnelijke regeling in een individuele huurzaak zonder richtinggevende rechtsvragen; de uitkomst is sterk feitelijk bepaald en heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Minnelijke regeling bevatte boetebedingen van €10.000 (per 1 januari 2020) en €5.000 (per 1 juli 2020) bij niet tijdig herstellen van lekkages
- 2Huurder betoogde tevergeefs dat de regeling slechts zag op specifieke lekkages die al in november 2019 waren hersteld
- 3Onafhankelijke inspectiebedrijven constateerden op 20 februari 2020 en 20 augustus 2021 dat lekkages nog aanwezig waren
- 4Het hof verklaart voor recht dat de huurkorting per 1 september 2024 is vervallen en volledige huurprijs weer verschuldigd is
- 5Bij niet-nakoming van de huurbetalingsverplichting zijn de contractuele boetes en renten uit artikel 25.3 Algemene Bepalingen van toepassing
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat boetebedingen in minnelijke regelingen over gebrekshertstel strikt worden uitgelegd aan de hand van feitelijke constateringen door derden, en dat een huurder zich niet kan onttrekken aan boeteverplichtingen door een beperkte uitleg van de regeling te bepleiten.
Praktische impact
De huurder dient de overeengekomen boetes te betalen en moet vanaf 1 september 2024 weer de volledige huurprijs voldoen; bij nalatigheid verbeurt hij aanvullende contractuele boetes en rente.
Onderwerp-impact
Voor huurders en verhuurders die minnelijke regelingen sluiten over gebreksherstel onderstreept deze uitspraak het belang van concrete inspectierapporten als bewijs van (niet-)nakoming en de bindende kracht van contractuele boetebedingen.
Samenvatting
In deze huurrechtelijke procedure bij het Gerechtshof Amsterdam stonden partijen tegenover elkaar over de vraag of een huurder boetes verschuldigd was op grond van een eerder gesloten minnelijke regeling over lekkages in het gehuurde pand. De minnelijke regeling hield in dat de huurder een boete van €10.000 zou betalen indien de lekkages aan de rechterzijde van de muur en onder de binnentrap niet per 1 januari 2020 zouden zijn verholpen, en nog eens €5.000 indien dit per 1 juli 2020 nog niet het geval was. De huurder stelde in hoger beroep dat de regeling uitsluitend betrekking had op specifieke lekkages die reeds op 6 november 2019 waren hersteld, zodat de boetevoorwaarden nooit in vervulling waren gegaan. Het hof verwierp dit verweer. Onafhankelijke inspectiebedrijven hadden op respectievelijk 20 februari 2020 en 20 augustus 2021 geconstateerd dat de lekkages nog steeds aanwezig waren. Deze objectieve bevindingen weerlegden de stelling van de huurder dat de gebreken tijdig waren verholpen. Het hof bevestigde daarmee dat de boetes verschuldigd zijn geworden. Daarnaast heeft het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigd en voor recht verklaard dat de verhuurder per 1 september 2024 geen recht meer heeft op een huurkorting en vanaf die datum de volledige contractuele huurprijs verschuldigd is. Voorts is vastgesteld dat bij niet-nakoming van die betalingsverplichting de contractuele boetes en renten uit artikel 25.3 van de Algemene Bepalingen van toepassing zijn. De uitspraak illustreert dat rechters bij de uitleg van minnelijke regelingen over gebreksherstel sterk leunen op feitelijke constateringen door onafhankelijke deskundigen, en dat boetebedingen in dergelijke regelingen hun werking volledig behouden wanneer herstel aantoonbaar uitblijft.