Hof bekrachtigt echtscheiding en wijst huurrechtverzoek man af
ECLI:NL:GHAMS:2026:1838, Gerechtshof Amsterdam, 07-07-2026, 200.365.659/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)bekrachtiging door rechtbank uitgesproken echtscheiding, afwijzing verzoek vrouw tot toewijzing huurrecht echtelijke woning aan haar. Wetsartikelen: 1:151 BW en 827 lid 1 sub f Rv jo. 7:266 lid 5 BW + 7:266 lid 1 BW.
Kern van de zaak
Een vrouw verzoekt scheiding van haar Marokkaanse man; beiden wonen in Nederland. De man verzet zich in hoger beroep tegen de echtscheiding en voert formele bezwaren aan over het ontbrekende ouderschapsplan. Ook speelt een geschil over wie huurder van de echtelijke woning wordt.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt de uitgesproken echtscheiding en wijst alle verzoeken van de man in hoger beroep af. Doorslaggevend is dat de vrouw volhardt in haar verzoek en geen herstel van de huwelijksverhouding mogelijk is, en dat de grief over het ouderschapsplan te laat (in strijd met de twee-conclusieregel) is aangevoerd.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande regels toe (twee-conclusieregel, duurzame ontwrichting, huurrechtregeling bij echtscheiding) zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de impact is beperkt tot de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Duurzame ontwrichting is voldaan nu de vrouw onverkort bij het echtscheidingsverzoek blijft en geen uitzicht op herstel bestaat.
- 2De grief over het ontbrekende ouderschapsplan is tardief: op grond van de twee-conclusieregel had dit bij beroepschrift moeten worden aangevoerd.
- 3Nederlandse rechter is bevoegd op grond van gewone verblijfplaats van beide partijen in Nederland, ondanks de Marokkaanse nationaliteit van de man.
- 4Op het huurrechtverzoek past de rechter art. 827 lid 1 sub f Rv jo. art. 7:266 lid 5 BW toe; belangen van beide partijen worden afgewogen.
- 5Het toepasselijke Nederlandse recht staat tussen partijen in hoger beroep niet ter discussie.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strakke toepassing van de twee-conclusieregel in familiezaken: nieuwe grieven die pas ter zitting worden aangevoerd, worden buiten beschouwing gelaten. Voorts verduidelijkt het hof dat volharding bij het echtscheidingsverzoek voldoende is om duurzame ontwrichting aan te nemen.
Praktische impact
De echtscheiding wordt definitief en de vrouw behoudt haar positie in de huurrechtprocedure; de man verliest zijn hoger beroep volledig en kan de formele bezwaren niet meer inzetten om de scheiding te vertragen.
Onderwerp-impact
In internationale familiezaken met een Nederlandse en een buitenlandse partner onderstreept dit arrest dat de Nederlandse rechter snel rechtsmacht aanneemt op basis van gewone verblijfplaats, en dat processuele vertragingstactieken via de twee-conclusieregel worden geblokkeerd.
Samenvatting
In deze hoger beroepsprocedure voor het Gerechtshof Amsterdam staat een echtscheiding centraal tussen een vrouw met Nederlandse nationaliteit en een man met Marokkaanse nationaliteit, die beiden in Nederland wonen. De vrouw had in eerste aanleg succesvol echtscheiding verzocht op grond van duurzame ontwrichting van het huwelijk. De man tekende hoger beroep aan en voerde onder meer aan dat bij het oorspronkelijke verzoekschrift geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan was gevoegd, wat hij presenteerde als een formeel beletsel voor de echtscheiding. Het hof verwerpt dit betoog. De grief over het ontbrekende ouderschapsplan is voor het eerst ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht, terwijl de twee-conclusieregel vereist dat nieuwe grieven bij beroepschrift worden aangevoerd. Een erkend uitzonderingsgeval doet zich niet voor, zodat het hof de grief buiten beschouwing laat. Ten aanzien van de echtscheiding zelf stelt het hof vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat partijen ten tijde van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Op de zaak is Nederlands recht van toepassing; dat staat in hoger beroep niet ter discussie. Aan het criterium van duurzame ontwrichting is voldaan: de vrouw volhardt onverkort in haar verzoek en heeft tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat zij het huwelijk geen kans meer wil geven. Daarmee is naar het oordeel van het hof geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen meer aanwezig. Tot slot beoordeelt het hof het verzoek omtrent het huurrecht van de echtelijke woning op grond van artikel 827 lid 1 sub f Rv in verbinding met artikel 7:266 lid 5 BW, waarbij de belangen van partijen worden afgewogen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank en wijst alle verzoeken van de man in hoger beroep af.