Hypotheekadviseur wint hoger beroep: vervalsing niet bewezen
ECLI:NL:GHAMS:2026:2693, Gerechtshof Amsterdam, 22-09-2026, 200.353.012/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bewijswaardering; het hof oordeelt – anders dan de rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2024:7834 en ECLI:NL:RBAMS:2024:4847) – dat de gestelde vervalsing van een bankafschrift door een hypotheekadviseur niet is komen vast te staan. Ook overigens is er geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de opdracht die ontbinding en schadevergoeding rechtvaardigt. De daarop gegronde vorderingen worden afgewezen.
Kern van de zaak
Geïntimeerde stapte naar de rechter en beschuldigde hypotheekadviseur appellant van het vervalsen van documenten in het kader van een hypotheekadviestraject voor de aankoop van een nieuwe woning met verbouwingsbudget. Appellant exploiteert een eenmanszaak in financieel advies op het gebied van hypotheek, inkomen en pensioen.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de vorderingen van geïntimeerde grotendeels af, omdat de beweerde vervalsing door appellant niet is komen vast te staan. Uitzondering geldt voor ten onrechte in rekening gebrachte meerwerkkosten, die appellant alsnog moet terugbetalen.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk geschil tussen twee private partijen over een individueel hypotheekadviestraject zonder bredere precedentwerking; de rechtsvraag is casuïstisch en de uitkomst weinig verrassend gezien het bewijsrechtelijke uitgangspunt.
Belangrijkste punten
- 1Appellant (financieel adviseur) werd beschuldigd van het vervalsen van documenten in een hypotheekadviestraject
- 2Het hof oordeelt dat de vervalsing niet is bewezen; de vorderingen worden grotendeels afgewezen
- 3Uitzondering: ten onrechte in rekening gebrachte meerwerkkosten worden wel toegewezen aan geïntimeerde
- 4Grief 1 van appellant slaagt deels: de feitenvaststelling door de rechtbank wordt bijgesteld door het hof
- 5De zaak betreft hoger beroep van drie rechtbankvonnissen uit 2023, 2024 en 2024
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat ernstige aantijgingen zoals documentvervalsing overtuigend bewezen moeten worden; bij onvoldoende bewijs worden vorderingen afgewezen. De bijstelling van de feitenvaststelling via grief 1 illustreert het belang van nauwkeurige feitenomschrijving in eerste aanleg.
Praktische impact
Geïntimeerde vangt grotendeels bot met zijn claims tegen de adviseur en draagt waarschijnlijk de proceskosten; alleen de meerwerkkosten worden teruggekregen. Appellant kan zijn werkzaamheden als financieel adviseur voortzetten zonder de reputatieschade van een bewezen vervalsing.
Onderwerp-impact
In de financiële dienstverlening benadrukt deze uitspraak dat cliënten stevige bewijslast dragen bij beschuldigingen van fraude of vervalsing jegens hun adviseur; een principeakkoord of e-mailcorrespondentie alleen is onvoldoende om dergelijke claims te onderbouwen.
Samenvatting
In deze hoger beroepszaak bij het Gerechtshof Amsterdam staat een conflict centraal tussen een cliënt (geïntimeerde) en een financieel adviseur (appellant) die een eenmanszaak drijft op het gebied van hypotheek-, inkomens- en vermogensplanning. De aanleiding was een adviestraject uit 2022 waarbij geïntimeerde aanvankelijk financiering zocht voor de aankoop van een boot, maar dat plan vervolgens liet varen ten gunste van de aankoop en verbouwing van een nieuwe woning, waarvoor een hypotheek van 550.000 tot 600.000 euro werd gewenst. Geïntimeerde deed als eiser in eerste aanleg een beroep op onder meer beweerdelijke vervalsing van documenten door de adviseur en vorderde schadevergoeding. De rechtbank Amsterdam wees de hoofdvordering af omdat de vervalsing niet was aangetoond, maar kende wel een bedrag toe wegens ten onrechte gefactureerde meerwerkkosten. Appellant ging in hoger beroep tegen drie vonnissen van de rechtbank (uit juli 2023, juni 2024 en december 2024). Het hof stelt met inachtneming van grief 1 de relevante feiten opnieuw vast en komt – net als de rechtbank – tot de conclusie dat de gestelde vervalsing niet is komen vast te staan. De vorderingen van geïntimeerde worden grotendeels afgewezen; alleen de onterecht in rekening gebrachte meerwerkkosten blijven toewijsbaar. De uitspraak illustreert het fundamentele bewijsrechtelijke principe dat wie stelt, bewijst: ernstige verwijten als documentvervalsing vereisen overtuigend bewijs. Zonder dat bewijs kunnen zelfs gedetailleerde beschuldigingen niet tot aansprakelijkheid leiden. Voor de praktijk van financieel advies bevestigt dit dat cliënten een zware bewijslast dragen bij fraudegerelateerde claims jegens hun adviseur.