Bestuursrechter onbevoegd bij FSV-schadeverzoek wegens feitelijk handelen
ECLI:NL:RVS:2026:5791, Raad van State, 30-09-2026, 202505449/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 6 december 2024 heeft de minister van Financiën het verzoek om schadevergoeding van [appellant] afgewezen. De minister heeft [appellant] laten weten dat zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) waren geregistreerd. [appellant] heeft de minister vervolgens verzocht om schadevergoeding vanwege de onrechtmatige FSV-registratie. Hij stelt daardoor materiële en immateriële schade te hebben geleden. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. [appellant] heeft met de door hem overgelegde gegevens onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden en hoe hoog die schade is. Ook heeft hij niet aangetoond dat de gestelde schade het gevolg is van de FSV-registratie.
Kern van de zaak
Een burger wiens persoonsgegevens onrechtmatig in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst waren geregistreerd, verzocht de minister om schadevergoeding voor materiële en immateriële schade. De minister wees het verzoek af wegens onvoldoende onderbouwing. De burger ging in beroep bij de bestuursrechter.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bekrachtigt het oordeel van de rechtbank dat de bestuursrechter onbevoegd is om over het schadeverzoek te oordelen. Doorslaggevend is dat de FSV-registratie een feitelijke handeling betreft en geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, waardoor uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft betekenis voor een omvangrijke groep FSV-gedupeerden en verduidelijkt de bevoegdheidsverdeling, maar betreft een toepassing van bestaande bevoegdheidsregels op een bekende casuïstiek en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Op het schadeverzoek is oud recht van toepassing (vóór 1 juli 2013) op grond van artikel V lid 2 Wns, omdat de schade is veroorzaakt door handelen van de Belastingdienst of Dienst Toeslagen.
- 2Onder artikel 8:73 Awb (oud) is de bestuursrechter alleen bevoegd bij schade veroorzaakt door een besluit, niet bij schade door feitelijk handelen.
- 3De onrechtmatige FSV-registratie van persoonsgegevens kwalificeert als feitelijke handeling, niet als besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.
- 4De bevoegdheidsuitzondering (bevoegdheid bestuursrechter over schadeveroorzakende publiekrechtelijke bevoegdheid zelf) is hier niet van toepassing.
- 5Uitsluitend de civiele rechter is bevoegd om over de schadevergoeding wegens onrechtmatige FSV-registratie te oordelen.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt dat schadeverzoeken wegens onrechtmatige persoonsregistraties door de Belastingdienst/Dienst Toeslagen als feitelijk handelen worden gekwalificeerd, waardoor de bestuursrechter onbevoegd is en gedupeerden aangewezen zijn op de civiele rechter. Dit heeft directe gevolgen voor de rechtsingang van FSV-gedupeerden.
Praktische impact
FSV-gedupeerden die schadevergoeding willen voor onrechtmatige registratie moeten hun vordering bij de civiele rechter instellen, wat hogere drempels (griffierechten, advocaatkosten) en een andere procedure meebrengt. Eerder ingediende bestuursrechtelijke verzoeken zijn niet-ontvankelijk of worden verwezen.
Onderwerp-impact
Voor de grote groep burgers die als gevolg van de FSV-affaire onrechtmatig zijn geregistreerd en schade claimen, betekent deze uitspraak een extra procedurele horde doordat zij hun rechtsstrijd bij een andere rechter moeten voeren.
Samenvatting
Deze zaak draait om de vraag welke rechter bevoegd is te oordelen over een schadeverzoek van een burger wiens persoonsgegevens onrechtmatig waren opgenomen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. De appellant had de minister verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade als gevolg van deze registratie. De minister wees het verzoek af omdat de gestelde schade onvoldoende was onderbouwd en het causaal verband met de FSV-registratie niet was aangetoond. In beroep oordeelde de rechtbank dat de bestuursrechter onbevoegd is om inhoudelijk over dit verzoek te oordelen. De Raad van State bevestigt dit oordeel. Centraal staat de kwalificatie van de FSV-registratie: dit is een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Op grond van artikel V lid 2 van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns) is oud recht van toepassing, omdat de schade is veroorzaakt door handelen van de Dienst Toeslagen of de Belastingdienst. Onder het regime van artikel 8:73 Awb (oud) is de bestuursrechter bij een zuiver schadebesluit alleen bevoegd indien hij ook bevoegd is te oordelen over de schadeveroorzakende publiekrechtelijke bevoegdheidsuitoefening zelf. Nu de FSV-registratie geen besluit is maar feitelijk handelen, ontbreekt die bevoegdheidsgrondslag. De burgerlijke rechter is als enige bevoegd om over de schadeclaim te oordelen. Deze uitspraak heeft praktische betekenis voor de grote groep FSV-gedupeerden: zij kunnen niet bij de bestuursrechter terecht voor schadevergoeding, maar moeten de gang naar de civiele rechter maken, met de daarbij behorende hogere drempels en procedurele eisen.