Verhuurder wint ontruimingszaak wegens dringend eigen gebruik
ECLI:NL:GHAMS:2026:2671, Gerechtshof Amsterdam, 29-09-2026, 200.356.819
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Huur woonruimte. Verhuurders hebben in 2020 een woning in Amsterdam aan huurders verhuurd in verband met hun emigratie naar China. Inmiddels zijn verhuurders teruggekeerd in Nederland. Zij hebben de huurovereenkomst opgezegd op grond van dringend eigen gebruik. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat verhuurders de huurovereenkomst op deze grond konden opzeggen. Wetsartikelen: 7:272 lid 1, 7:274 lid 1 aanhef en onder c en 7:275 lid 1 BW
Kern van de zaak
Verhuurders (geïntimeerden) die vanuit China zijn teruggekeerd naar Nederland, vorderen beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik van de woning. Huurders (appellanten) betwisten de terugkeer naar Nederland en stellen dat verhuurders de woning willen verkopen, niet bewonen.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de beëindiging van de huurovereenkomst toe op grond van dringend eigen gebruik (art. 7:274 lid 1 sub c BW). Doorslaggevend is dat verhuurders hun terugkeer naar Nederland voldoende concreet en met stukken hebben onderbouwd, terwijl huurders onvoldoende gemotiveerd hebben betwist dat de woning voor eigen gebruik nodig is. De einddatum wordt opnieuw vastgesteld op 1 april 2027, mede gelet op de belangen van de kinderen van huurders.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen vaste jurisprudentie over dringend eigen gebruik en bevat geen nieuwe rechtsnormen; de praktische relevantie is beperkt tot de betrokken partijen en vergelijkbare individuele huurzaken.
Belangrijkste punten
- 1Verhuurders hebben terugkeer vanuit China naar Nederland afdoende aangetoond met bewijsstukken (staking onderneming, verhuizing inboedel, nieuwe banen, woonadres).
- 2Het enkele feit dat verhuurders onderhandeld hebben over verkoop van de woning is onvoldoende om dringend eigen gebruik te weerleggen.
- 3Aan alle vereisten van art. 7:274 lid 1 sub c BW is voldaan: dringend eigen gebruik én beschikbaarheid van andere passende woonruimte voor huurders.
- 4Het hof stelt een nieuwe einddatum vast (1 april 2027) omdat de oorspronkelijke einddatum inmiddels is verstreken.
- 5Belangen van de kinderen van huurders (art. 3 lid 1 IVRK) worden meegewogen bij bepaling van de nieuwe einddatum, zodat een schoolvakantie voor de verhuizing benut kan worden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat concrete, met stukken onderbouwde stellingen over eigen gebruik zwaarder wegen dan niet nader gemotiveerde betwisting door huurders. Het hof laat zien dat onderhandelingen over verkoop niet automatisch afdoen aan de oprechtheid van het voornemen tot eigen gebruik.
Praktische impact
Huurders moeten de woning uiterlijk 1 april 2027 verlaten, waarbij de planning aansluit op een schoolvakantie om de verhuizing voor de kinderen te vergemakkelijken. Verhuurders kunnen na die datum de woning zelf betrekken.
Onderwerp-impact
In huurrechtelijke procedures over dringend eigen gebruik onderstreept deze uitspraak het belang van gedegen documentatie bij terugkeer vanuit het buitenland, en biedt het hof een praktische invulling van de bescherming van kinderbelangen bij het vaststellen van ontruimingstermijnen.
Samenvatting
In deze hoger beroepszaak stond centraal of verhuurders (geïntimeerden), die enige jaren in China hadden gewoond en gewerkt, hun woning dringend nodig hadden voor eigen gebruik in de zin van artikel 7:274 lid 1 sub c BW. Huurders (appellanten) betwistten dat verhuurders daadwerkelijk naar Nederland waren teruggekeerd en stelden dat het werkelijke oogmerk verkoop van de woning was, mede omdat er verkooponderhandelingen hadden plaatsgevonden. Het Gerechtshof Amsterdam verwierp beide verweren. Ten aanzien van de gestelde terugkeer oordeelde het hof dat verhuurders hun stellingen uitvoerig met stukken hadden onderbouwd: de Chinese onderneming was gestaakt, de inboedel was vanuit China overgebracht en opgeslagen in Nederland, één verhuurder had een dienstverband bij een Nederlands bedrijf aanvaard en de ander had een coachingspraktijk gestart, terwijl het paar inmiddels op een chaletpark in Nederland woonde. Tegenover dit concrete bewijs schoten huurders tekort in hun motivering van de betwisting. Het argument dat verkooponderhandelingen zouden duiden op een verkoopoogmerk achtte het hof evenmin doorslaggevend; dergelijke onderhandelingen sluiten een oprecht voornemen tot eigen gebruik niet uit. Nu ook aan de overige vereisten van artikel 7:274 lid 1 sub c BW was voldaan — waaronder de beschikbaarheid van andere passende woonruimte voor huurders — bekrachtigde het hof het vonnis van de kantonrechter in conventie. Omdat de oorspronkelijk vastgestelde einddatum inmiddels was verstreken, bepaalde het hof een nieuwe einddatum van 1 april 2027. Bij die keuze betrok het hof uitdrukkelijk de belangen van de kinderen van huurders op grond van artikel 3 lid 1 IVRK, zodat huurders een van de eerstvolgende schoolvakanties kunnen benutten voor de verhuizing.