Huurder vordert schadevergoeding na ontruimingsprocedure wegens verzamelwoede
ECLI:NL:GHAMS:2026:2622, Gerechtshof Amsterdam, 15-09-2026, 200.350.344/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Geïntimeerde sub 1 is een verhuurder van woningen en geïntimeerde sub 2 een deurwaarderskantoor. Volgens appellant hebben zij bij de gedwongen ontruiming van zijn woning onvoldoende rekening gehouden met zijn gerechtvaardigde belangen. Al zijn spullen zijn afgevoerd en vernietigd, terwijl deze volgens appellant niet kennelijk waardeloos waren en hij er ook geen afstand van had gedaan. Appellant vordert schadevergoeding. De rechtbank heeft zijn vordering afgewezen. Het hof oordeelt dat geïntimeerden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van appellant, en schat de schade bij wege van niet bindende eindbeslissing op € 5.000,00. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte (uitsluitend) nog over de aldus begrote schade van € 5.000,00 uit te laten.
Kern van de zaak
Een huurder ([appellant]) is door verhuurder Bouwinvest/BDI Residential aangesproken op extreme verzamelwoede in zijn huurwoning. Na waarschuwingen en een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter heeft de huurder bij het Gerechtshof Amsterdam een tegenvordering ingesteld, waarbij hij stelt dat gedaagden onrechtmatig en/of onzorgvuldig jegens hem hebben gehandeld.
Beslissing van de rechter
De beschikbare tekst bevat onvoldoende informatie om de uiteindelijke beslissing van het Gerechtshof Amsterdam volledig te reconstrueren; de weergegeven beslissing betreft de eis van [appellant] tot verklaring voor recht van onrechtmatig handelen door Bouwinvest en veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat. Op basis van de beschikbare fragmenten kan de uitkomst van het hoger beroep niet met zekerheid worden vastgesteld.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk specifieke huurrechtgeschil op appelniveau zonder aanwijzingen van richtinggevende rechtsontwikkeling; de onvolledige uitspraaktekst maakt een hogere inschatting onverantwoord.
Belangrijkste punten
- 1Verhuurder BDI Residential stuurde een allerlaatste waarschuwing aan huurder wegens extreme verzamelwoede en ernstige vervuiling van de woning.
- 2Bouwinvest dagvaardde de huurder op 26 maart 2018 bij de kantonrechter tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanprestatie.
- 3Huurder [appellant] stelde vervolgens een tegenvordering in, primair gebaseerd op onrechtmatig/onzorgvuldig handelen door de verhuurder.
- 4De huurder vorderde schadevergoeding nader op te maken bij staat, alsmede een verklaring voor recht en proceskostenveroordeling.
- 5De uitspraaktekst is onvolledig; de daadwerkelijke beslissing van het hof in hoger beroep kan op basis van de beschikbare fragmenten niet volledig worden beoordeeld.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de grenzen van verhuurdersbevoegdheden bij ernstige huurderswanprestatie en de vraag wanneer verhuurdersingrijpen als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd. Vanwege de onvolledigheid van de tekst is de precieze juridische impact onzeker.
Praktische impact
Voor huurders met hoarding-problematiek verduidelijkt deze zaak dat verhuurders bij extreme wanprestatie ontbinding kunnen vorderen, maar dat huurders een tegenvordering kunnen instellen indien zij menen dat de verhuurder daarbij onrechtmatig heeft gehandeld.
Onderwerp-impact
In de huurrechtpraktijk benadrukt de zaak het spanningsveld tussen de handhavingsbevoegdheid van verhuurders en de bescherming van huurders, in het bijzonder bij situaties waarbij gedragsproblematiek (hoarding) een rol speelt.
Samenvatting
Deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2026:2622) betreft een huurrechtelijk conflict tussen verhuurder Bouwinvest (handelend via BDI Residential) en huurder [appellant] over een woning waar sprake was van extreme hoarding. De verhuurder stuurde in januari 2018 een allerlaatste waarschuwing: de huurder diende de woning grondig op te ruimen en te reinigen, en moest uiterlijk 6 februari 2018 medewerking verlenen aan het verhelpen van een lekkage. Toen de woning op die datum niet voldoende was opgeruimd, dagvaardde Bouwinvest de huurder op 26 maart 2018 bij de kantonrechter tot ontbinding van de huurovereenkomst. In hoger beroep heeft [appellant] een tegenvordering ingesteld. Hij stelt dat de verhuurder onrechtmatig en/of onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld, en vordert een verklaring voor recht, schadevergoeding nader op te maken bij staat, en een proceskostenveroordeling. De juridische kern van het hoger beroep ligt in de vraag of het handelen van Bouwinvest — waaronder de ontbindingsprocedure en de daarmee samenhangende stappen — als onrechtmatig jegens de huurder kwalificeert. De beschikbare tekst van de uitspraak is helaas onvolledig: noch de volledige overwegingen, noch de definitieve beslissing van het hof zijn weergegeven. Hierdoor kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de vorderingen van [appellant] zijn toe- of afgewezen. Op basis van de fragmenten lijkt het te gaan om een feitelijk complexe zaak waarbij gedragsproblematiek van de huurder (hoarding) een centrale rol speelt, hetgeen ook maatschappelijke vragen oproept over de zorgplicht van verhuurders in dergelijke situaties. De impactscore is laag ingeschat vanwege het gebrek aan richtinggevende rechtsontwikkeling en de onvolledigheid van de uitspraak.