Huurder behoudt woning ondanks drugs: belang kind doorslaggevend
ECLI:NL:GHAMS:2026:134, Gerechtshof Amsterdam, 13-01-2026, 200.350.145
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Kort geding. Vordering tot ontruiming sociale huurwoning. Drugs in het gehuurde. Tekortkoming in de nakoming. Minderjarige. Art. 3 IVRK. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vordering op basis van een belangenafweging af.
Kern van de zaak
Een woningcorporatie (geïntimeerde) vordert in kort geding ontruiming van een sociale huurwoning nadat daar een aanzienlijke hoeveelheid drugs werd aangetroffen. De huurder (appellant) betwist onder meer het spoedeisend belang en komt in hoger beroep op tegen het vonnis van de kantonrechter. De huurder woont samen met een minderjarige zoon.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de ontruimingsvordering af op basis van een belangenafweging: hoewel de huurder tekortgeschoten is in zijn huurverplichtingen, weegt het belang van de huurder en zijn minderjarige zoon bij behoud van de woning zwaarder dan het belang van de woningcorporatie bij ontruiming. Het spoedeisend belang van de woningcorporatie wordt wel erkend.
Impactscore
LaagHet betreft een kortgedinguitspraak van een gerechtshof in een individuele huurzaak; de rechtsvraag (belangenafweging bij ontruiming) is niet nieuw en de uitkomst is sterk casuïstisch bepaald, waardoor precedentwerking beperkt is.
Belangrijkste punten
- 1Woningcorporatie heeft spoedeisend belang bij ontruiming vanwege schaarse sociale huurwoningen en zero-tolerancebeleid ten aanzien van drugs
- 2Tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst door aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheid drugs staat vast
- 3Belang van minderjarige zoon en huurder bij behoud van woning weegt in kort geding zwaarder dan corporatiebelang
- 4Grief 10 (uitvoerbaar bij voorraad verklaring) is ingetrokken ter zitting en behoeft geen bespreking
- 5Het zero-tolerancebeleid van de corporatie versterkt de afschrikwekkende werking van kort geding-ontruimingsvorderingen in het algemeen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een tekortkoming in de huurovereenkomst door drugsbezit in kort geding niet automatisch leidt tot ontruiming: een concrete belangenafweging, waarbij kwetsbare bewoners (minderjarige kinderen) een rol spelen, kan de vordering doen stranden. Dit nuanceert de toepassing van zero-tolerancebeleid in de sociale huursector.
Praktische impact
Woningcorporaties die in kort geding ontruiming vorderen wegens drugs, moeten rekening houden met persoonlijke omstandigheden van huurders, met name de aanwezigheid van minderjarige kinderen; een bodemprocedure kan in dergelijke gevallen aangewezen zijn voor definitieve ontruiming.
Onderwerp-impact
In de sociale huursector onderstreept deze uitspraak dat het zero-tolerancebeleid bij drugs weliswaar slagkracht heeft, maar in individuele gevallen kan worden doorkruist door humanitaire overwegingen rondom gezinssituaties.
Samenvatting
In deze zaak vorderde een woningcorporatie (toegelaten instelling van volkshuisvesting) in kort geding de ontruiming van een sociale huurwoning, nadat daarin een aanzienlijke hoeveelheid drugs was aangetroffen. De huurder, die de woning bewoont samen met zijn minderjarige zoon, bestreed in hoger beroep onder meer het door de kantonrechter aangenomen spoedeisend belang van de corporatie. Het Gerechtshof Amsterdam verwerpt de grief over het spoedeisend belang. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat de woningcorporatie een evident spoedeisend belang heeft bij handhaving van rechtmatige bewoning van haar schaarse sociale huurwoningen. Het zero-tolerancebeleid van de corporatie ten aanzien van drugs wint bovendien aan slagkracht en afschrikwekkende werking wanneer het instrument van de kortgedingontruiming inzetbaar is. De centrale juridische vraag is of de vastgestelde tekortkoming — de aanwezigheid van drugs in de woning — in kort geding een ontruimingstitel rechtvaardigt. Het hof stelt vast dat de huurder inderdaad tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Echter, na een afweging van de wederzijdse belangen concludeert het hof dat de ontruimingsvordering moet worden afgewezen. Het belang van de huurder en zijn minderjarige zoon bij behoud van de woning weegt in de gegeven omstandigheden zwaarder dan het belang van de corporatie bij directe ontruiming. Deze uitspraak illustreert dat een zero-tolerancebeleid in de sociale huursector, hoewel legitiem en effectief als afschrikmiddel, in een concreet kort geding kan worden genuanceerd door humanitaire overwegingen — in het bijzonder de belangen van minderjarige kinderen. Voor corporaties die definitieve ontruiming beogen in vergelijkbare gevallen, biedt een bodemprocedure doorgaans meer zekerheid dan een kortgedingvordering.