JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:57Laag28/100

Hoge Raad: geen opdracht bij vervoer met filmmaking als tegenprestatie

ECLI:NL:HR:2026:57, Hoge Raad, 16-01-2026, 24/03757

Hoge RaadUitspraak: 16 januari 2026Publicatie: 15 januari 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:24/03757
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Transport
Aansprakelijkheid
Schadevergoeding
Media
Personenvervoer
Cassatie
Overeenkomst Van Opdracht
Kwalificatie Overeenkomst
Gemengde Overeenkomst

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Verbintenissenrecht. Ongeval tijdens zeilreis en maken van promotiefilm voor reisorganisator. Kwalificatie overeenkomst.

Kern van de zaak

Een vrouw (eiseres) raakte betrokken bij een ongeval tijdens een zeereis. Zij stelde dat zij een overeenkomst van opdracht had gesloten waarbij zij in ruil voor het vervoer een promotiefilm zou maken, en vorderde op die grond aansprakelijkheid van de vervoerder. De wederpartij betwistte dat het maken van een film de kenmerkende prestatie was.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel. Het hof had vastgesteld dat sprake was van een overeenkomst van personenvervoer waarbij de filmmaking slechts een betaling in natura betrof, en niet een zelfstandige opdracht; het oordeel was voldoende gemotiveerd en berust op de feitelijke vaststelling dat niet is komen vast te staan dat het partijen ging om het maken van een promotiefilm.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak stelt geen nieuwe rechtsregels maar bevestigt bestaande kwalificatiemaatstaven; de beslissing is sterk feitelijk van aard en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare casuïstiek.

Belangrijkste punten

  • 1Kwalificatie als overeenkomst van personenvervoer sluit een (gemengde) overeenkomst van opdracht niet per definitie uit, maar het hof oordeelde feitelijk dat hiervan geen sprake was.
  • 2Het hof stelde vast dat de filmmaking enkel diende als betaling in natura voor het vervoer, niet als zelfstandige opdrachtprestatie.
  • 3De klacht dat het hof de overeenkomst van opdracht had moeten laten prevaleren boven de vervoersovereenkomst faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
  • 4Onvoldoende motivering van het hofsoordeel werd niet aangenomen: het hof had de stelling van eiseres onderkend en gemotiveerd verworpen op basis van betwisting door verweerders.
  • 5De uitspraak betreft een typisch feitelijk kwalificatiegeschil waarbij de Hoge Raad de feitelijke vaststelling van het hof respecteert.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat bij kwalificatievraagstukken rond gemengde overeenkomsten (personenvervoer versus opdracht) de feitenrechter een ruime beoordelingsmarge heeft, en dat de Hoge Raad feitelijke vaststellingen over de kenmerkende prestatie niet opnieuw beoordeelt.

Praktische impact

Partijen die bij vervoersovereenkomsten diensten leveren als tegenprestatie dienen schriftelijk vast te leggen wat de kenmerkende prestatie is, om later te kunnen aantonen dat sprake is van een opdracht met de daaraan verbonden aansprakelijkheidsregels.

Onderwerp-impact

Voor de transport- en mediasector verduidelijkt de uitspraak dat creatieve diensten (zoals filmmaking) die worden verricht tijdens vervoer niet automatisch leiden tot kwalificatie als overeenkomst van opdracht, tenzij dit uitdrukkelijk is overeengekomen.

Samenvatting

In deze zaak stond centraal de vraag hoe de rechtsverhouding tussen partijen moest worden gekwalificeerd. Eiseres had deelgenomen aan een zeereis en stelde dat zij in ruil daarvoor een promotiefilm zou maken voor de vervoerder. Toen haar tijdens de reis een ongeval overkwam, vorderde zij schadevergoeding en beriep zij zich daartoe op een overeenkomst van opdracht, dan wel een gemengde overeenkomst waarbij de opdracht tot filmmaking prevaleerde boven de vervoersovereenkomst. Het hof oordeelde echter dat sprake was van een overeenkomst van personenvervoer over zee, waarbij de filmmaking fungeerde als betaling in natura. Het hof stelde vast dat niet was komen vast te staan dat het partijen primair te doen was om het maken van een promotiefilm. Dit oordeel berustte op een gemotiveerde betwisting door verweerders. In cassatie klaagde eiseres dat het hof had miskend dat een vervoersovereenkomst en een opdracht naast elkaar kunnen bestaan, en dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd. De Hoge Raad verwerpt beide klachten. Ten aanzien van de eerste klacht oordeelt de Hoge Raad dat deze feitelijke grondslag mist: het hof was kennelijk van oordeel dat van een opdracht noch van een gemengde overeenkomst sprake was, en las de bewuste overweging in dat licht. Ten aanzien van de motiveringsklacht stelt de Hoge Raad vast dat het hof de stellingen van eiseres had onderkend en op basis van de betwisting door verweerders feitelijk had vastgesteld dat filmmaking niet de kenmerkende prestatie vormde. De Hoge Raad respecteert deze feitelijke vaststelling en casseert niet. De uitspraak illustreert dat de kwalificatie van een overeenkomst in essentie een feitelijk oordeel is, en dat een partij die aansprakelijkheid wil grondvesten op een overeenkomst van opdracht duidelijk moet kunnen aantonen dat dit de kenmerkende prestatie van de overeenkomst betrof.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 19 mei 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Aansprakelijkheidsrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2083Middel
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2083, Gerechtshof Den Haag, 30-06-2026, 200.332.838/01

Gerechtshof Den Haag30 jun 2026TransportAansprakelijkheid
38/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:1885Laag
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHDHA:2026:1885, Gerechtshof Den Haag, 09-06-2026, 200.346.852/01

Gerechtshof Den Haag9 jun 2026AansprakelijkheidSchadevergoeding
18/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:1866Laag
Aansprakelijkheidsrecht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:1866, Gerechtshof Den Haag, 19-05-2026, 200.286.748/02

Gerechtshof Den Haag19 mei 2026Financiele DienstverleningAansprakelijkheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHSHE:2026:1076Middel
Aansprakelijkheidsrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:GHSHE:2026:1076, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-04-2026, 24/1049

Gerechtshof 's-Hertogenbosch22 apr 2026BestuurdersaansprakelijkheidIncasso
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied