Hoge Raad verwerpt cassatie BNB tegen URW
ECLI:NL:HR:2026:1229, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/02210
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 81 lid 1 RO. Contractenrecht. Aanneming van werk, vertraging, termijnverlenging, uitleg overeenkomst, wijzigen bestek, essentiële stellingen, motivering.
Kern van de zaak
BNB heeft cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het hof in een geschil met URW. De exacte feitelijke achtergrond van het onderliggende geschil blijkt niet uit de gepubliceerde uitspraak. De Hoge Raad heeft de zaak beoordeeld op basis van de cassatieklachten.
Beslissing van de rechter
Het cassatieberoep van BNB is verworpen op grond van artikel 81 lid 1 Wet RO, zonder nadere motivering. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest en dat beantwoording van rechtsvragen voor eenheid of ontwikkeling van het recht niet noodzakelijk is. BNB wordt veroordeeld in de proceskosten van ruim €19.000.
Impactscore
LaagDe Hoge Raad past art. 81 lid 1 Wet RO toe en geeft geen inhoudelijk oordeel over rechtsvragen, waardoor de uitspraak geen richtinggevende of bredere juridische betekenis heeft buiten de specifieke partijen.
Belangrijkste punten
- 1Verwerping cassatieberoep op basis van art. 81 lid 1 Wet RO (geen motiveringsplicht)
- 2Conclusie Advocaat-Generaal G. Snijders strekte eveneens tot verwerping
- 3Geen rechtsvragen van belang voor eenheid of ontwikkeling van het recht
- 4Proceskostenveroordeling BNB: €17.016 verschotten + €2.200 salaris, vermeerderd met wettelijke rente
- 5Onderliggende feitelijke en juridische context van het geschil is niet kenbaar uit de gepubliceerde uitspraak
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak heeft geen precedentwerking nu de Hoge Raad toepassing geeft aan art. 81 lid 1 Wet RO en expliciet oordeelt dat geen rechtsvragen van belang voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. Het hofarrest blijft onherroepelijk in stand.
Praktische impact
BNB verliest de cassatieprocedure en dient naast de eigen proceskosten ook de kosten van URW te voldoen, inclusief wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het oordeel van het hof is daarmee definitief.
Onderwerp-impact
Zonder kennis van de onderliggende feitelijke context is de sector- of onderwerp-specifieke impact niet vast te stellen; de uitspraak heeft op zichzelf geen inhoudelijke gevolgen buiten de directe procespartijen.
Samenvatting
Op 10 juli 2026 deed de Hoge Raad uitspraak in cassatie in een civiele procedure tussen BNB (eiseres tot cassatie) en URW (verweerster). BNB had cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het hof, maar de exacte aard van het onderliggende geschil – de feitelijke achtergrond, de vorderingen en de uitkomst in eerdere instanties – blijkt niet uit de gepubliceerde tekst van dit arrest. De Advocaat-Generaal G. Snijders had in zijn conclusie geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad sloot zich hierbij aan. Na beoordeling van de cassatieklachten over het hofarrest oordeelde de Hoge Raad dat deze klachten niet konden leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad maakte daarbij gebruik van de mogelijkheid die artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie biedt: wanneer de behandeling van de klachten geen beantwoording vereist van vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht, kan de Hoge Raad volstaan met een ongemotiveerde verwerping. Dit betekent dat het hofarrest onherroepelijk in stand blijft. BNB werd tevens veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van URW, begroot op €17.016 aan verschotten en €2.200 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen wordt betaald. De uitspraak heeft geen bredere juridische betekenis: er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld en er wordt geen inhoudelijk oordeel gegeven over de rechtsvragen die in de zaak speelden. De impact blijft beperkt tot de directe procespartijen.