Dexia aansprakelijk voor onrechtmatige effectenlease via onvergunde adviseur
ECLI:NL:GHDHA:2026:2996, Gerechtshof Den Haag, 06-10-2026, 200.350.921/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Dexia / Tussenpersoon / Advisering / Wetenschap /
Kern van de zaak
Een consument ([geïntimeerde]) vordert schadevergoeding van Dexia wegens onrechtmatig handelen bij de totstandkoming van effectenleaseovereenkomsten. Een cliëntenremisier trad daarbij op als financieel adviseur zonder de vereiste vergunning. Dexia stelde incidenteel appel in en betwistte aansprakelijkheid; de consument vorderde in incidenteel appel een hoger schadebedrag dan de kantonrechter had toegewezen.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Den Haag beoordeelt de grieven van Dexia in principaal appel en die van de consument in incidenteel appel; op basis van de vastgestelde feiten oordeelt het hof dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld omdat een onvergunde cliëntenremisier als financieel adviseur optrad en Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn. De doorslaggevende reden is dat daadwerkelijke subjectieve bekendheid van Dexia met de concrete advisering niet vereist is voor onrechtmatigheid.
Impactscore
LaagDe uitspraak past in een jarenlange, uitgekristalliseerde jurisprudentielijn over Dexia-effectenlease en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de impact is beperkt tot de individuele zaak en bevestigt reeds bekende rechtspraak.
Belangrijkste punten
- 1Dexia handelt onrechtmatig als een onvergunde cliëntenremisier als financieel adviseur optrad bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst.
- 2Subjectieve (daadwerkelijke) bekendheid van Dexia met de specifieke advisering is niet vereist; objectieve bekendheid (behoren te weten) volstaat.
- 3De consument vordert terugbetaling van alle onder de overeenkomsten betaalde bedragen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
- 4In incidenteel appel vordert de consument een hoger schadebedrag (€ 8.814,46) dan de kantonrechter had toegewezen (€ 7.754,26).
- 5De in eerste aanleg vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden en dienen als uitgangspunt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn in de Dexia-jurisprudentie dat objectieve bekendheid van de aanbieder met onvergunde advisering volstaat voor onrechtmatigheid, zonder dat subjectieve wetenschap hoeft te worden bewezen. Dit verlaagt de bewijsdrempel voor gedupeerde effectenleaseconsumenten.
Praktische impact
Voor de consument betekent dit dat Dexia gehouden is de betaalde bedragen inclusief rente en kosten terug te betalen; de discussie in hoger beroep betreft nog de exacte omvang van het te vergoeden bedrag. Voor Dexia leidt de uitspraak tot verdere financiële aansprakelijkheid in een al lang lopende reeks effectenleasezaken.
Onderwerp-impact
Binnen de financiële dienstverlening onderstreept deze uitspraak de verantwoordelijkheid van productaanbieders voor de handelwijze van tussenpersonen, ook zonder directe betrokkenheid bij de concrete advisering aan de individuele klant.
Samenvatting
In deze hoger beroepsprocedure voor het Gerechtshof Den Haag staat centraal of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens een consument ([geïntimeerde]) bij de totstandkoming van effectenleaseovereenkomsten. De consument had in eerste aanleg met succes gevorderd dat Dexia hem schade vergoedt, omdat een cliëntenremisier bij de totstandkoming van de overeenkomsten optrad als financieel adviseur zonder over de daarvoor vereiste vergunning te beschikken. De kantonrechter wees een bedrag van € 7.754,26 toe; Dexia ging in hoger beroep en vorderde vernietiging van het vonnis en afwijzing van de consumentenvorderingen. De consument stelde incidenteel appel in en vorderde een hoger bedrag van € 8.814,46. Het hof hanteert als juridisch kader dat Dexia onrechtmatig handelt indien (a) een onvergunde cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Cruciaal is dat daadwerkelijke, subjectieve wetenschap van Dexia over de specifieke advisering aan de consument níet vereist is: objectieve bekendheid volstaat. Dit criterium sluit aan bij de vaste jurisprudentie in Dexia-effectenleasezaken, waarbij de bewijsdrempel voor gedupeerde consumenten bewust laag is gehouden. De in eerste aanleg vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet betwist en dienen ongewijzigd als feitelijk uitgangspunt. Het hof beoordeelt zowel de grieven van Dexia in principaal appel als die van de consument in incidenteel appel. Op basis van de vastgestelde feiten en het beschreven juridisch kader oordeelt het hof dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en schadeplichtig is. De precieze omvang van de schadevergoeding – en daarmee de uitkomst van het incidenteel appel – vloeit voort uit de verdere beoordeling van de betalingen en kosten. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking, maar bevestigt voor de individuele consument het recht op integrale terugbetaling van betaalde termijnen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.