JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2912Laag28/100

Incident procesbevoegdheid minderjarige erfgenamen afgewezen door hof

ECLI:NL:GHDHA:2026:2912, Gerechtshof Den Haag, 06-10-2026, 200.321.103/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 6 oktober 2026Publicatie: 23 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.321.103/01
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Overheid
Aansprakelijkheid
Nalatenschap
Vereffenaar
Procesbevoegdheid
Minderjarige Erfgenamen
Kantonrechtersmachtiging

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Procesrecht. Machtiging kantonrechter voor voortzetting hoger beroep namens minderjarigen. Art. 1:253k BW en art. 1:349 BW.

Kern van de zaak

Na het overlijden van de oorspronkelijke partij ([naam]) hebben diens twee minderjarige kinderen als erfgenamen het hoger beroep tegen RSV voortgezet. RSV betwistte de procesbevoegdheid van de vertegenwoordiger en het hof onderzocht ambtshalve of een machtiging van de kantonrechter vereist was voor voortzetting van de procedure.

Beslissing van de rechter

Het incident van RSV waarin de procesbevoegdheid werd betwist, is afgewezen. Doorslaggevend is dat de moeder als vereffenaar bevoegd is namens de nalatenschap op te treden, de volmacht aan de vertegenwoordiger geldig is, en de vereiste machtiging van de kantonrechter ex art. 1:253k jo. 1:349 BW inmiddels is verkregen.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een tussenarrest dat slechts procedurele vragen rond de procesbevoegdheid van minderjarige erfgenamen beantwoordt; de inhoudelijke beslissing in het hoger beroep is nog niet gegeven en de rechtsvraag is niet nieuw.

Belangrijkste punten

  • 1Overlijden van een procespartij vóór hoger beroep verplicht erfgenamen als rechtsopvolgers onder algemene titel (art. 3:80 lid 2 BW) het beroep in te stellen
  • 2De moeder van de minderjarige erfgenamen treedt op als vereffenaar en is bevoegd de nalatenschap te vertegenwoordigen
  • 3Het hof stelde ambtshalve vast dat een machtiging van de kantonrechter ex art. 1:253k jo. 1:349 BW vereist was voor voortzetting van het hoger beroep namens minderjarigen
  • 4De benodigde machtiging werd op 12 september 2025 door de kantonrechter Amsterdam verleend en overgelegd
  • 5Het incident van RSV strekkende tot betwisting van de procesbevoegdheid is ongegrond verklaard; iedere verdere beslissing (inclusief proceskosten) wordt aangehouden

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat bij voortzetting van een procedure namens minderjarige erfgenamen de combinatie van art. 1:253k BW en art. 1:349 BW een rechterlijke machtiging vereist, en dat het hof dit vereiste ambtshalve toetst. Dit onderstreept de beschermingsfunctie van het minderjarigenrecht in civiele procedures.

Praktische impact

Nabestaanden die als wettelijk vertegenwoordiger van minderjarige erfgenamen een lopende procedure willen voortzetten, moeten tijdig een machtiging van de kantonrechter aanvragen; zonder deze machtiging riskeert men niet-ontvankelijkheid of het verlies van procesbevoegdheid.

Onderwerp-impact

Voor zaken waarbij nalatenschappen met minderjarige erfgenamen betrokken zijn, brengt dit arrest duidelijkheid over de processtappen die vereist zijn om rechtsgeldig op te kunnen treden in civiele geschillen.

Samenvatting

Dit tussenarrest van het Gerechtshof Den Haag betreft een procedureel geschil over de bevoegdheid om hoger beroep te voeren namens minderjarige erfgenamen. De oorspronkelijke appellant ([naam]) overleed voorafgaand aan de hoger-beroepsprocedure tegen RSV. Zijn twee minderjarige kinderen zijn zijn erfgenamen en worden vertegenwoordigd door hun moeder, die als vereffenaar van de nalatenschap optreedt. RSV stelde een incident in en betwistte de procesbevoegdheid van de door de moeder gemachtigde vertegenwoordiger. Het hof verwierp dit incident: uit de overgelegde verklaring van erfrecht en volmacht blijkt dat de moeder rechtsgeldig bevoegd is namens de nalatenschap op te treden. Daarnaast stelde het hof ambtshalve vast dat voor het instellen en voortzetten van hoger beroep namens minderjarigen een machtiging van de kantonrechter vereist is op grond van art. 1:253k BW in samenhang met art. 1:349 BW. Het hof verwees de zaak naar de rol om partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. Zowel [naam] c.s. als RSV deelden de visie van het hof dat een dergelijke machtiging noodzakelijk is. Vervolgens verzochten [naam] c.s. de kantonrechter te Amsterdam om de vereiste machtiging, die op 12 september 2025 werd verleend. Het hof stelt vast dat hiermee aan alle formele vereisten is voldaan: de procesbevoegdheid is deugdelijk onderbouwd en de wettelijk voorgeschreven kantonrechtersmachtiging is overgelegd. Het incident van RSV wordt dan ook afgewezen. Een beslissing over de proceskosten in het incident en alle verdere beslissingen worden aangehouden. De zaak is daarmee gereed voor inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 13 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Civiel recht

Gerechtshof Amsterdam·13 okt 2026
Contractenrecht
Civiel recht
Aansprakelijkheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:GHAMS:2026:2907

Hof Amsterdam wijst kortgedingvordering af wegens ontbrekend spoedeisend belang

28/100Bekijk
Gerechtshof Amsterdam·13 okt 2026
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht
Schadevergoeding
Overheid
ECLI:NL:GHAMS:2026:2902

Vorderingen kloosterslachtoffers dwangarbeid verjaard verklaard

38/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Contractenrecht
Civiel recht
Verzekering
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1636

Hoge Raad verduidelijkt informatieplichten schadeverzekeraars bij afstandsverkoop

74/100Bekijk
Gerechtshof Amsterdam·6 okt 2026
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht
Schadevergoeding
Aansprakelijkheid
ECLI:NL:GHAMS:2026:2856

Hof wijst retourwaarde plantenbakken en verlichting toe

22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied