Koper aansprakelijk voor boete na niet-afnemen verkocht pand
ECLI:NL:GHDHA:2026:2751, Gerechtshof Den Haag, 04-08-2026, 200.346.224/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)kKper is tekortgeschoten door pand niet af te nemen en niet te betalen; beroep op boete niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar; boete wordt wel gematigd
Kern van de zaak
Appellante (koper) nam een pand niet af op de afgesproken datum van 31 december 2020 en betaalde de koopsom niet. Geïntimeerde (verkoper) ontbond de koopovereenkomst buitengerechtelijk en vorderde een contractuele boete van €60.000. Appellante stelde dat haar verplichting verviel omdat de beoogde doorverkoop op dezelfde dag niet doorging.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de verweren van appellante af en bekrachtigt vermoedelijk het oordeel dat appellante tekortgeschoten is en dat geïntimeerde de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Doorslaggevend is dat appellante geen voorbehoud heeft gemaakt in de koopovereenkomst voor het geval de beoogde doorlevering niet zou slagen, en dat een dergelijk voorbehoud ook niet mondeling aannemelijk is gemaakt.
Impactscore
LaagHet betreft een casuïstische toepassing van bekende contractenrechtelijke beginselen (nakoming, verzuim, buitengerechtelijke ontbinding) zonder nieuwe rechtsvragen; de impact is beperkt tot de directbetrokkenen en de vastgoedpraktijk in vergelijkbare doorleveringssituaties.
Belangrijkste punten
- 1Appellante nam het pand niet af op 31 december 2020 en voldeed niet aan haar betalingsverplichting: een vaststaande tekortkoming.
- 2Een voorbehoud dat appellantes verplichtingen zouden vervallen bij het uitblijven van doorlevering was niet schriftelijk noch mondeling overeengekomen.
- 3Wetenschap van de verkoper over de doorverkoopbedoeling van appellante is onvoldoende om een dergelijk voorbehoud te aanvaarden.
- 4Het fiscale voordeel van doorlevering vóór 1 januari 2021 (overdrachtsbelastingverhoging) schept evenmin een bevrijdend voorbehoud.
- 5Geïntimeerde ontbond de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk en vordert contractuele boete van €60.000 plus wettelijke rente.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een koper die beoogt een pand door te verkopen geen impliciete opschortende voorwaarde kan inroepen als de beoogde doorlevering niet plaatsvindt, tenzij dit uitdrukkelijk is overeengekomen. Enkele wetenschap van de verkoper over de doorverkoopbedoeling is daartoe onvoldoende.
Praktische impact
Kopers die een onroerende zaak willen 'doorsluizen' dienen een uitdrukkelijk voorbehoud of ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst op te nemen; ontbreekt dit, dan lopen zij bij het mislukken van de doorlevering het volledige risico van boetes en schadevergoeding.
Onderwerp-impact
In de vastgoedpraktijk onderstreept deze uitspraak het belang van heldere contractuele bedingen bij flitsverkopen of tussenpersoonconstructies, zeker rondom fiscale wijzigingen zoals de overdrachtsbelastingverhoging per 1 januari 2021.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of appellante tekortgeschoten was in haar verplichting tot afname van een pand en betaling van de koopsom op 31 december 2020. Appellante had het pand gekocht van geïntimeerde met de bedoeling het op dezelfde dag door te verkopen aan een derde. Toen die doorverkoop niet plaatsvond, nam appellante het pand zelf ook niet af en betaalde zij de koopsom niet. Geïntimeerde ontbond de koopovereenkomst buitengerechtelijk en vorderde in rechte een verklaring voor recht dat deze ontbinding rechtsgeldig was, alsmede betaling van de contractuele boete van €60.000 vermeerderd met wettelijke rente. Appellante verweerde zich met de stelling dat geïntimeerde wist van de doorverkoopbedoeling, en dat dit impliceerde dat appellante niet meer zou hoeven na te komen als de doorlevering niet door zou gaan. Het hof verwerpt dit verweer op meerdere gronden. Ten eerste bevat de schriftelijke koopovereenkomst geen dergelijk voorbehoud. Ten tweede heeft appellante niet gesteld, laat staan aangetoond, dat een mondeling voorbehoud is gemaakt of dat geïntimeerde hiermee heeft ingestemd. Ten derde: hoewel de gevolmachtigde van geïntimeerde wist dat appellante het pand wilde doorverkopen, blijkt uit het transcript van een telefoongesprek dat hij juist betwistte dat doorlevering op dezelfde dag zou plaatsvinden. Ten vierde is de omstandigheid dat doorlevering vóór 1 januari 2021 fiscaal voordeliger was vanwege de overdrachtsbelastingverhoging, onvoldoende om wetenschap én instemming met een dergelijk voorbehoud aan te nemen. Het hof concludeert dat appellante tekortgeschoten is in haar verplichtingen en dat geïntimeerde de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. De uitspraak benadrukt dat kopers bij doorleveringsconstructies uitdrukkelijke contractuele bescherming moeten bedingen.