Hof bevestigt giftbeoordeling bij verkoop onroerende zaken tussen familieleden
ECLI:NL:GHDHA:2026:2675, Gerechtshof Den Haag, 11-08-2026, 200.258.958/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Erflaatster heeft bij leven tegen een te lage prijs onroerende goederen aan dochter A verkocht. Dochter A gebruikte bij leven van erflaatster haar pinpas. Erflaatster heeft dochter A tot enig erfgenaam benoemd. Dochter B doet een beroep op haar legitieme rechten. Dochter A wordt in de proceskosten veroordeeld.
Kern van de zaak
Twee dochters strijden over de vraag of hun moeder onroerende zaken onder de marktwaarde aan één dochter (Dochter A) heeft verkocht, wat zou kwalificeren als een gift. Dochter B stelde de verkoopprijzen te laag, Dochter A betwistte dit. Het hof benoemde deskundigen om de waarde van vier onroerende zaken op de peildatum vast te stellen.
Beslissing van de rechter
Het hof volgt het deskundigenbericht en stelt de waarde van de onroerende zaken vast op € 691.000,-; Dochter A wordt veroordeeld € 1.253,50 aan Dochter B te betalen en het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2019 wordt voor het overige bekrachtigd. Doorslaggevend is dat het deskundigenbericht gedegen en voldoende onderbouwd is bevonden, zodat geen aanleiding bestaat daarvan af te wijken.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke, familierechtelijke procedure over waardering van onroerende zaken zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is casuïstisch en heeft beperkte precedentwerking buiten de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Deskundigen waardeerden vier onroerende zaken op € 691.000,-, tussen de standpunten van Dochter B (€ 910.000,-) en Dochter A (lagere waarde) in.
- 2Het hof acht het deskundigenbericht van 17 februari 2026 voldoende onderbouwd en ziet geen reden ervan af te wijken.
- 3Dochter A's bezwaar tegen de waardering van het winkelpand (€ 268.000,- i.p.v. haar standpunt van € 210.000,-) wordt verworpen.
- 4Het hof is gebonden aan eerder genomen eindbeslissingen uit het tussenarrest van 6 april 2021.
- 5Dochter A wordt veroordeeld tot betaling van € 1.253,50 aan Dochter B; verdere vorderingen worden afgewezen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat rechters deskundigenberichten mogen volgen indien deze gedegen en goed onderbouwd zijn, ook wanneer partijen inhoudelijk bezwaar maken. De gebondenheid aan tussentijdse eindbeslissingen in langlopende erfrecht-/schenkingsprocedures wordt bevestigd.
Praktische impact
Dochter A moet € 1.253,50 betalen aan Dochter B; de vastgestelde waarde van € 691.000,- vormt de grondslag voor de verdere berekening van een eventuele gift en de verdeling van de nalatenschap. Dochter B ontvangt minder dan zij had verwacht op basis van haar eigen waardering.
Onderwerp-impact
Bij geschillen over verkoop van vastgoed binnen de familie ter beoordeling van een gift zijn onafhankelijke deskundigenberichten over marktwaarde doorslaggevend; de rechter wijkt daar slechts bij zwaarwegende redenen van af.
Samenvatting
Deze zaak betreft een langlopend familiegeschil tussen twee dochters over de vraag of hun moeder onroerende zaken tegen een te lage prijs – en daarmee als gift – heeft verkocht aan Dochter A. De procedure sleept al jaren: de rechtbank Den Haag oordeelde in 2019 over de waarde van vier onroerende zaken (totaal € 621.000,-), waarna in hoger beroep een tussenarrest volgde op 6 april 2021. Om de werkelijke marktwaarde op de peildatum vast te stellen, benoemde het Gerechtshof Den Haag eigen deskundigen. Hun rapport van 17 februari 2026 stelde de totaalwaarde vast op € 691.000,-, hoger dan de door de rechtbank gehanteerde verkoopprijzen maar lager dan de door Dochter B bepleite € 910.000,-. Dochter A betwistte met name de waardering van een winkelpand op € 268.000,-, dat zij op € 210.000,- taxeerde. Dochter B had summier gereageerd en verwachtte hogere uitkomsten. Het hof concludeert dat het deskundigenbericht gedegen is, dat de bronnen goed zijn vermeld en dat beide partijen de mogelijkheid hebben gehad commentaar te leveren. Er is geen aanleiding om van de bevindingen af te wijken. Daarmee staat de waarde van de onroerende zaken op de peildatum vast op € 691.000,-. Op grond hiervan wordt Dochter A veroordeeld € 1.253,50 te betalen aan Dochter B. Het vonnis van de rechtbank Den Haag van 13 februari 2019 wordt voor het overige bekrachtigd en verdere vorderingen worden afgewezen. De uitspraak illustreert het belang van onafhankelijke deskundigenrapporten bij waarderingsgeschillen binnen families en bevestigt dat rechters bij gedegen onderbouwde berichten hiervan niet snel afwijken.