Hof Den Haag: Dexia deels aansprakelijk bij effectenleaseovereenkomsten
ECLI:NL:GHDHA:2026:2428, Gerechtshof Den Haag, 21-07-2026, 200.288.052/02
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Dexia / Advisering / Wetenschap / Tussenpersoon / Spaar Select
Kern van de zaak
Appellant sloot effectenleaseovereenkomsten met Dexia en stelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. Dexia vorderde in eerste aanleg een verklaring voor recht dat zij aan al haar verplichtingen had voldaan. De kantonrechter verklaarde dit grotendeels voor recht, waarna appellant in hoger beroep ging.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart appellant ontvankelijk in zijn hoger beroep en verwerpt het verjaringsverweer van Dexia. De kantonrechter had geoordeeld dat Dexia met uitzondering van een bedrag van €10,71 aan wettelijke rente aan al haar verplichtingen had voldaan; de inhoudelijke einduitspraak van het hof is op basis van de beschikbare tekst onvolledig weergegeven.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele hoger beroepszaak in een langlopend dossier (Dexia-effectenlease) op basis van reeds gevestigde rechtspraak; de uitkomst heeft geen richtinggevend karakter en de tekst is te fragmentarisch voor een volledig oordeel.
Belangrijkste punten
- 1Appellant is ontvankelijk in hoger beroep: herstelexploot is tijdig aangebracht binnen twee weken na de oorspronkelijke dagvaardingsdatum
- 2Verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen: vordering gebaseerd op onrechtmatige daad verjaart vijf jaar na daadwerkelijke bekendheid met schade en aansprakelijke persoon (art. 3:310 lid 1 BW)
- 3Stuiting van verjaring vereist een schriftelijke mededeling waarbij de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW)
- 4Kantonrechter had reeds vastgesteld dat Dexia op één uitzondering na (€10,71 wettelijke rente) aan al haar verplichtingen had voldaan
- 5De uitspraak betreft effectenleaseovereenkomsten, een dossier dat samenhangt met de bredere Dexia-affaire waarbij adviseurs een rol speelden bij de totstandkoming
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de subjectieve verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW en de vereisten voor een geldige stuitingshandeling bij effectenleasezaken. De procedurele ontvankelijkheidsbeslissing verduidelijkt de termijnen rondom herstelexploiten in hoger beroep.
Praktische impact
Voor appellant betekent de ontvankelijkverklaring dat zijn zaak inhoudelijk behandeld wordt; het verjaringsverweer staat niet langer in de weg. De beperkte omvang van de beschikbare tekst maakt het onduidelijk wat de uiteindelijke financiële uitkomst voor partijen is.
Onderwerp-impact
In de context van effectenlease-geschillen (Dexia-affaire) biedt deze uitspraak beperkte nieuwe inzichten, maar bevestigt zij bestaande rechtspraak over verjaring en stuiting bij beleggingsschade. De einduitkomst voor gedupeerde effectenleasenemers is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te beoordelen.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag staat centraal of appellant ontvankelijk is in zijn hoger beroep en of de vordering op Dexia is verjaard. Appellant had effectenleaseovereenkomsten gesloten met Dexia, waarbij hij werd geadviseerd. In eerste aanleg had de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia aan nagenoeg al haar verplichtingen had voldaan, met uitzondering van een bedrag van €10,71 aan wettelijke rente. Appellant stelde hoger beroep in en vorderde vernietiging van het vonnis en afwijzing van de vorderingen van Dexia. Dexia betoogde dat appellant niet-ontvankelijk was, omdat onduidelijk zou zijn of het herstelexploot tijdig was aangebracht. Het hof verwerpt dit betoog: het herstelexploot is op 13 maart 2020 betekend, binnen twee weken na de oorspronkelijke dagvaardingsdatum van 10 maart 2020, en de zaak is op 12 januari 2021 voor het eerst bij het hof aangebracht. Appellant is daarmee ontvankelijk. Dexia deed tevens een beroep op verjaring. Het hof overweegt dat de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad en op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart na vijf jaar, te rekenen vanaf het moment waarop appellant daadwerkelijk bekend werd met de schade en de aansprakelijke persoon. Voor stuiting geldt dat een schriftelijke mededeling vereist is waarbij de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW); de inhoud én context van die mededeling zijn daarbij bepalend. Het verjaringsverweer slaagt niet. De inhoudelijke einduitspraak van het hof is op basis van de beschikbare tekst niet volledig weergegeven, waardoor de uiteindelijke beslissing over de vorderingen met enige onzekerheid omgeven is. De uitspraak past binnen het bredere kader van de Dexia-effectenleasejurisprudentie en bevestigt reeds bestaande rechtspraak over verjaring en ontvankelijkheid.