Hof: scheepsbeslag en vervangende garantie terecht gehandhaafd door Aurora
ECLI:NL:GHDHA:2026:2188, Gerechtshof Den Haag, 14-07-2026, 200.349.078/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Conservatoir beslag op zeeschip voor onbetaald gebleven bunkerleverantie aan tijdbevrachter. Opheffing beslag na stellen Rotterdams Garantieformulier door scheepseigenaar. Scheepseigenaar vordert teruggave van de garantie. Vordering bunkerleverancier niet verhaalbaar op het schip wegens verjaring (volgens het recht van Panama). Beoordelingsmaatstaf bij een vordering tot verval van zekerheid (artikel 705 Rv/artikel 6:248 BW).
Kern van de zaak
Bunkerleverancier Aurora legde conservatoir beslag op zeeschip M/V Broad Rise van scheepseigenaar Orient wegens onbetaalde levering aan Cardinal. Orient stelde vervangende zekerheid via het Rotterdams Garantieformulier 2008, waarna het beslag werd opgeheven, maar eiste vervolgens in kort geding dat Aurora geen rechten meer aan de garantie zou ontlenen.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de vordering van Orient toe, in tegenstelling tot de voorzieningenrechter die de vordering had afgewezen. Doorslaggevend is dat het beslag niet onrechtmatig was gelegd – Aurora kon op grond van Amerikaans recht mogelijk een 'maritime lien' op het schip doen gelden – en dat het belang van Aurora bij behoud van de garantie zwaarder weegt dan de belangen van Orient.
Impactscore
MiddelHet arrest geeft nuttige verduidelijking over de verhouding tussen scheepsbeslag, RGF-garanties en buitenlandse maritime liens, maar is een kort-gedingbeslissing op specifieke feitelijke gronden zonder fundamentele koerswijziging in het zeerecht of IPR.
Belangrijkste punten
- 1De rechtmatigheid van de vervangende zekerheidsstelling (RGF) is onlosmakelijk verbonden met de rechtmatigheid van het onderliggende beslag; bij onrechtmatig beslag is ook vasthouden aan de garantie onrechtmatig.
- 2Nederlands recht kent geen 'maritime lien' via bunkerlevering; de verhaalbaarheid wordt beoordeeld naar art. 10:160 BW, dus zowel naar Panamees als Amerikaans recht.
- 3Naar Panamees recht is het vorderingsstatuut bepalend voor het bestaan van een 'maritime lien', wat leidt tot toepassing van Amerikaans recht; daaronder kan in dit geval een 'maritime lien' zijn ontstaan.
- 4Het Amerikaanse recht beheerst ook de verjaring, zodat art. 8:219 BW niet van toepassing is en de vordering naar voorlopig oordeel niet is verjaard.
- 5In het Nederlandse rechtsstelsel is niet uitgesloten dat een scheepseigenaar als derde verhaal moet dulden voor een schuld waarbij hij geen partij is.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de wisselwerking tussen conservatoir scheepsbeslag en vervangende zekerheidsstelling (RGF) en bevestigt dat buitenlandse 'maritime liens' via het conflictenrechtelijk vorderingsstatuut (art. 10:160 BW) ook in Nederland relevant kunnen zijn voor verhaal op een schip van een derde-eigenaar.
Praktische impact
Scheepseigenaren die vervangende zekerheid stellen na een conservatoir scheepsbeslag, kunnen die garantie niet eenvoudig terugvorderen zolang het beslag zelf niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt; bunkerleveranciers kunnen hun rechten onder het RGF handhaven.
Onderwerp-impact
Voor de maritieme praktijk bevestigt dit arrest dat tussentijdse teruggave van een RGF-garantie in kort geding mogelijk is, maar alleen wanneer het onderliggende beslag aantoonbaar onrechtmatig was; dit biedt bunkerleveranciers zekerheid over de houdbaarheid van hun zekerheidsstelling.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of scheepseigenaar Orient van bunkerleverancier Aurora kon vorderen dat Aurora geen rechten meer zou ontlenen aan een vervangende bankgarantie die was gesteld op basis van het Rotterdams Garantieformulier 2008 (RGF). De aanleiding was een conservatoir scheepsbeslag dat Aurora op 3 september 2024 had gelegd op de M/V Broad Rise wegens een onbetaalde bunkerleverantie aan Cardinal – de bevrachter, niet Orient zelf. Na zekerheidsstelling door Orient werd het beslag op 11 september 2024 opgeheven. Orient betoogde dat het beslag onrechtmatig was, omdat Aurora geen rechtens afdwingbare aanspraak op het schip had, en vorderde in kort geding bevestiging dat Aurora de garantie niet zou aanspreken. Het hof oordeelde anders dan de voorzieningenrechter en wees de vordering van Orient toe. Het hof stelde voorop dat de rechtmatigheid van de zekerheidsstelling onlosmakelijk verbonden is met die van het beslag: alleen bij een onrechtmatig beslag is ook het vasthouden aan de garantie onrechtmatig. Vervolgens onderzocht het hof of Aurora een 'maritime lien' op het schip kon doen gelden. Naar Nederlands recht bestaat dit fenomeen niet via bunkerlevering, maar op grond van art. 10:160 BW moet worden beoordeeld naar het vorderingsstatuut – hier Amerikaans recht – óf een dergelijk recht is ontstaan. Naar Panamees recht (recht van de vlaggestaat) verwijst men voor die vraag ook naar het vorderingsstatuut, zodat Amerikaans recht bepalend is. Naar dat recht kan in dit geval worden aangenomen dat een 'maritime lien' is ontstaan. Ook de verjaringsregels worden beheerst door Amerikaans recht, waardoor art. 8:219 BW toepassing mist en de vordering niet verjaard is. Nu het beslag niet onrechtmatig was, is ook het handhaven van de garantie niet onrechtmatig. Het belang van Aurora bij zekerheid voor haar vordering weegt bovendien zwaarder dan het belang van Orient bij vrijgave van de garantie.