Werkgeverslening kwalificeert als consumentenkrediet ondanks arbeidsrelatie
ECLI:NL:GHDHA:2026:1974, Gerechtshof Den Haag, 23-06-2026, 200.356.553/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)In deze verstekzaak vordert een werkgever van een (oud)werknemer de nakoming van betalingsverplichtingen in verband met een door de werkgever aan de werknemer verstrekte geldlening. De kantonrechter heeft (ambtshalve toetsend) de geldlening aangemerkt als een overeenkomst van consumentenkrediet. Omdat gesteld, noch gebleken is dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst een kredietwaardigheidstoets is verricht, heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. In hoger beroep betoogt de werkgever dat de geldleningsovereenkomst ten onrechte is aangemerkt als een overeenkomst van consumentenkrediet. Het hoger beroep slaagt niet.
Kern van de zaak
Wijngaarden B.V. verstrekte een geldlening aan haar werknemer, waarbij terugbetaling via salarisinhoudingen liep. Na het einde van de arbeidsrelatie vorderde Wijngaarden B.V. terugbetaling. In geschil was of de lening kwalificeert als een consumentenkredietovereenkomst, met de daarbij horende beschermingsregels.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de grieven van Wijngaarden B.V. af en bevestigt dat de geldlening kwalificeert als een consumentenkredietovereenkomst in de zin van artikel 7:57 lid 1 onder c BW. Doorslaggevend is dat de werkgeversuitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder f BW niet van toepassing is, en dat de omstandigheid dat de kredietgever tevens werkgever was niet uitsluit dat hij als 'kredietgever' in de wettelijke zin wordt aangemerkt.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past gevestigde wetsinterpretatie toe en creëert geen nieuw recht, maar heeft praktische relevantie voor werkgevers die leenregelingen hanteren en kan leiden tot aanpassing van arbeidsvoorwaardenpraktijken.
Belangrijkste punten
- 1Een door een werkgever aan een werknemer verstrekte lening valt in beginsel onder de definitie van consumentenkredietovereenkomst (art. 7:57 lid 1 onder c BW).
- 2De werkgeversuitzondering van art. 7:58 lid 2 onder f BW geldt alleen voor rentevrije of goedkope kredieten die als nevenactiviteit worden verstrekt en niet aan het publiek worden aangeboden.
- 3De arbeidsrechtelijke context (terugbetaling via salarisbetalingen) maakt de lening niet automatisch onderdeel van de arbeidsovereenkomst die buiten het consumentenkredietrecht valt.
- 4De wet erkent expliciet dat een werkgever ook als kredietgever kan optreden en heeft hiervoor een specifieke uitzonderingsregeling gecreëerd.
- 5Wijngaarden B.V. heeft niet voldaan aan de voorwaarden voor de werkgeversuitzondering, waardoor de kredietbeschermingsregels onverkort van toepassing zijn.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat de arbeidsrechtelijke context een werkgeverslening niet per definitie onttrekt aan het consumentenkredietrecht, en dat de uitzondering van art. 7:58 lid 2 onder f BW strikt moet worden uitgelegd. Werkgevers die leningen verstrekken zonder aan de uitzonderingsvoorwaarden te voldoen, zijn gebonden aan alle verplichtingen van Titel 7.2A BW, waaronder de kredietwaardigheidstoets.
Praktische impact
Werkgevers die geldleningen verstrekken aan werknemers dienen zich bewust te zijn dat zij mogelijk als kredietgever worden aangemerkt en moeten voldoen aan de eisen van het consumentenkredietrecht, tenzij de lening rentevrij of tegen een onder-marktse rente als nevenactiviteit wordt verstrekt.
Onderwerp-impact
Voor de financiële dienstverlening en arbeidsrelaties benadrukt deze uitspraak dat werkgeverskredieten nauwkeurige structurering vereisen om buiten het consumentenkredietrecht te vallen, wat impact heeft op HR-beleid en interne leenregelingen.
Samenvatting
In deze hoger beroepszaak stond de vraag centraal of een door werkgever Wijngaarden B.V. aan haar werknemer verstrekte geldlening kwalificeert als een consumentenkredietovereenkomst in de zin van artikel 7:57 lid 1 onder c BW. Wijngaarden B.V. betoogde dat zij niet als 'kredietgever' kon worden aangemerkt, omdat de lening was ingebed in de arbeidsrelatie en de terugbetaling synchroon liep met de salarisbetalingen. Volgens haar was de lening daarmee een onherroepelijk onderdeel geworden van de arbeidsovereenkomst, buiten het bereik van het consumentenkredietrecht. Het Gerechtshof Den Haag verwierp dit betoog. Het hof stelde vast dat de lening voldoet aan de definitie van een consumentenkredietovereenkomst: een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument een lening of soortgelijke betalingsfaciliteit verleent. De arbeidsrechtelijke context doet hieraan niet af. De wet kent weliswaar een uitzondering voor werkgeverskredieten (art. 7:58 lid 2 onder f BW), maar die is beperkt tot situaties waarin het krediet als nevenactiviteit rentevrij of tegen een onder-marktse rente wordt verstrekt en niet aan het publiek in het algemeen wordt aangeboden. Wijngaarden B.V. voldeed niet aan deze cumulatieve voorwaarden. Het hof benadrukte dat het bestaan van deze specifieke wettelijke uitzondering juist bevestigt dat een werkgever in beginsel wél als kredietgever in de zin van de wet kan worden aangemerkt. De twee grieven van Wijngaarden B.V. werden verworpen en haar vorderingen bleven afgewezen, nu niet was aangetoond dat aan alle vereisten van het consumentenkredietrecht — waaronder de kredietwaardigheidstoets — was voldaan. De uitspraak onderstreept dat werkgevers die financiering verstrekken aan werknemers zorgvuldig moeten toetsen of zij aan de strikte uitzonderingsvoorwaarden voldoen, om te voorkomen dat zij gebonden zijn aan de volledige beschermingsregels van Titel 7.2A BW.