Hof wijst schorsingsverzoek ex-medewerkers makelaarskantoor af
ECLI:NL:GHAMS:2026:2421, Gerechtshof Amsterdam, 01-09-2026, 200.372.164
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Incident ex artikel 351 Rv tot schorsing tenuitvoerlegging. Vordering afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.
Kern van de zaak
Voormalige medewerkers van makelaarskantoor Grand Relocation in Amsterdam werden in kort geding veroordeeld tot afgifte van bescheiden en opgave van weggesluisde klanten en omzet. Zij vorderden in hoger beroep schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis, inclusief de dwangsomveroordelingen, totdat in hoger beroep zou zijn beslist.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam wijst de incidentele vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging volledig af. Het hof ziet geen aanleiding voor het treffen van enige voorziening, waarbij de hoofdzaak wordt doorverwezen naar de rol voor verdere procesvoering.
Impactscore
LaagHet betreft een procesincident in hoger beroep waarbij de inhoudelijke beoordeling nog moet volgen; de beslissing is casuïstisch van aard en stelt geen nieuwe rechtsnormen. De zaak is feitelijk relevant voor partijen maar heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Ex-medewerkers worden ervan beschuldigd sinds 2021 in georganiseerd verband een schaduwonderneming te hebben gerund ten koste van hun werkgever Grand Relocation
- 2De voorzieningenrechter in eerste aanleg had hen reeds veroordeeld tot afgifte van boekhoudbestanden, bankafschriften en klantgegevens op straffe van dwangsommen
- 3In een eerder executiegeschil waren de dwangsommen al gedeeltelijk opgeheven voor bescheiden die aantoonbaar niet meer konden worden overgelegd
- 4Het hof wijst het verzoek tot (verdere) schorsing van de tenuitvoerlegging in incident af wegens gebrek aan grondslag
- 5De kostenbeslissing en verdere beslissingen in de hoofdzaak worden aangehouden; de zaak wordt doorverwezen naar de rol van 15 september 2026
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een incidentele vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging op grond van artikel 438 lid 2 Rv en artikel 611 Rv in hoger beroep een hoge drempel kent en niet snel wordt toegewezen als de eerdere rechter al een genuanceerde dwangsomregeling had getroffen. De zaak illustreert voorts de samenloop tussen executiegeschillen en hoger beroep in kort geding.
Praktische impact
De appellanten (ex-medewerkers) kunnen zich vooralsnog niet onttrekken aan de verplichtingen uit het kortgedingvonnis en blijven blootgesteld aan dwangsomsancties voor nog niet nagekomen veroordelingen. Grand Relocation behoudt daarmee een effectief handhavingsinstrument tijdens de lopende hoger beroepsprocedure.
Onderwerp-impact
Voor arbeidsrelaties waarbij sprake is van concurrerende nevenactiviteiten of het wegsluizen van bedrijfsgegevens, bevestigt deze uitspraak dat werkgevers via kort geding snel en effectief inzage en opgave kunnen afdwingen, ook gedurende hoger beroep.
Samenvatting
Deze zaak draait om voormalige medewerkers van Grand Relocation, een Amsterdams makelaarskantoor, die ervan worden beschuldigd tijdens hun dienstverband — vermoedelijk al vanaf 2021 — in georganiseerd verband een schaduwonderneming te hebben opgezet. Via deze constructie zouden zij klanten, opdrachten en omzet van Grand Relocation hebben weggesluisd naar eigen eenmanszaken en privérekeningen. Grand Relocation startte in mei 2026 een kortgedingprocedure en verkreeg van de voorzieningenrechter veroordelingen waarbij de ex-medewerkers op straffe van dwangsommen verplicht werden boekhoudbestanden, bankafschriften en klantgegevens over te leggen, en verboden werden bedrijfsvertrouwelijke informatie te gebruiken of relaties te benaderen. De ex-medewerkers vochten vervolgens de tenuitvoerlegging aan in een executiegeschil. De voorzieningenrechter hief in dat kader de dwangsommen gedeeltelijk op voor bescheiden die aantoonbaar niet meer konden worden verstrekt, maar liet de overige veroordelingen intact. In hoger beroep dienden de ex-medewerkers een incident in op grond van artikel 438 lid 2 Rv en artikel 611 Rv, waarin zij verzochten de volledige tenuitvoerlegging — althans de dwangsomveroordelingen — te schorsen totdat het hof in de hoofdzaak zou hebben beslist. Het Gerechtshof Amsterdam wijst alle incidentele vorderingen af en oordeelt dat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van enige voorziening. De inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van 15 september 2026. De kostenbeslissing wordt aangehouden tot het eindarrest. Daarmee blijft het kortgedingvonnis in volle omvang van kracht gedurende de hoger beroepsprocedure, en kunnen de ex-medewerkers zich niet onttrekken aan hun verplichtingen tot informatieverstrekking.