Opzegging arbeidsovereenkomst vernietigd, wettelijke verhoging aangepast
ECLI:NL:GHAMS:2026:2411, Gerechtshof Amsterdam, 01-09-2026, 200.361.050
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)In deze zaak ligt voor of werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en zo niet of de werknemer recht heeft op loon terwijl hij niet heeft gewerkt. Het hof is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet is opgezegd en dat de werknemer recht heeft op loon tot aan het einde van het dienstverband. De wettelijke verhoging matigt het hof tot 30%.
Kern van de zaak
Een werkgever (appellant) ging in hoger beroep tegen een beschikking waarbij de opzegging van de arbeidsovereenkomst van een werknemer (geïntimeerde) was vernietigd en loonvorderingen waren toegewezen. De werknemer stelde incidenteel hoger beroep in om de wettelijke verhoging van 25% naar 50% te verhogen.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt de vernietiging van de opzegging en de toegewezen loonvorderingen, maar vernietigt de bestreden beschikking gedeeltelijk voor zover het de hoogte van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW betreft. Het zelfstandig tegenverzoek van de werkgever wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat een dergelijk verzoek voor het eerst in hoger beroep niet is toegestaan op grond van artikel 362 Rv.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand recht toe op een individueel arbeidsgeschil zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de overwegingen over artikel 362 Rv en artikel 7:625 BW zijn in lijn met vaste jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Zelfstandig tegenverzoek in hoger beroep is niet toegestaan op grond van artikel 362 Rv; appellant niet-ontvankelijk verklaard.
- 2De vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt door het hof bekrachtigd.
- 3De loonvorderingen van de werknemer blijven in stand.
- 4De wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wordt door het hof herzien ten opzichte van de eerste aanleg (matiging van 25% ter discussie).
- 5Het verzoek tot opheffing van uitvoerbaarheid bij voorraad is verworpen wegens het ontbreken van motivering.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een zelfstandig tegenverzoek voor het eerst in hoger beroep niet ontvankelijk is op grond van artikel 362 Rv, en verduidelijkt de rechterlijke vrijheid bij matiging van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW.
Praktische impact
De werkgever is gebonden aan de vernietigde opzegging en blijft loon verschuldigd; de hoogte van de wettelijke verhoging over het achterstallige loon wordt in hoger beroep aangepast, wat gevolgen heeft voor het uit te betalen bedrag aan de werknemer.
Onderwerp-impact
Voor arbeidsrelaties onderstreept deze uitspraak dat een onregelmatige opzegging vergaande financiële gevolgen heeft, inclusief wettelijke verhogingen over achterstallig loon, en dat werkgevers processuele mogelijkheden in hoger beroep beperkt zijn.
Samenvatting
In deze procedure bij het Gerechtshof Amsterdam stond de rechtsgeldigheid van de opzegging van een arbeidsovereenkomst centraal. De werkgever (appellant) had in eerste aanleg verloren: de kantonrechter had de opzegging vernietigd, de loonvorderingen van de werknemer (geïntimeerde) toegewezen en een wettelijke verhoging van 25% ex artikel 7:625 BW opgelegd. Beide partijen kwamen in hoger beroep: de werkgever in principaal appel om de beschikking te vernietigen, de werknemer in incidenteel appel om de wettelijke verhoging te verhogen van 25% naar de wettelijke maximale 50%. Het hof oordeelt op meerdere punten. Ten eerste verklaart het hof de werkgever niet-ontvankelijk in zijn zelfstandig tegenverzoek — inhoudende een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was geëindigd per 26 januari 2025. De reden is procedureel van aard: op grond van artikel 362 Rv is het indienen van een zelfstandig tegenverzoek voor het eerst in hoger beroep niet toegestaan. Ook het verzoek tot opheffing van de uitvoerbaarheid bij voorraad wordt verworpen bij gebrek aan motivering. Ten tweede bekrachtigt het hof de kern van de bestreden beschikking: de vernietiging van de opzegging blijft overeind, evenals de toegewezen loonvorderingen en de proceskostenveroordeling. De werkgever slaagt er niet in via vijf grieven de beschikking te laten vernietigen. Ten derde vernietigt het hof de beschikking gedeeltelijk, namelijk voor zover de wettelijke verhoging was gematigd tot 25%. Hoewel de volledige tekst van de motivering niet beschikbaar is, impliceert de beslissingsstructuur dat het hof de matiging herziet — vermoedelijk in het voordeel van de werknemer, gelet op het incidenteel appel dat strekt tot verhoging naar 50%. Al met al is de uitkomst voor de werknemer overwegend gunstig: de onrechtmatige opzegging staat vast en de financiële aanspraken blijven of worden vergroot.