Huurvoortzetting toegewezen na overlijden huurder ondanks termijnoverschrijding
ECLI:NL:GHDHA:2025:2744, Gerechtshof Den Haag, 16-12-2025, 200.334.786/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Voortzetting huurovereenkomst na overlijden. Termijn artikel 7:268 BW.
Kern van de zaak
Appellante woonde samen met de overleden huurder en wenst de huur van een Woonbron-woning voort te zetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW. Zij overschreed de zesmaandentermijn voor het instellen van de vordering. De kantonrechter wees de vordering af maar oordeelde de termijnoverschrijding verschoonbaar.
Beslissing van de rechter
Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering tot huurvoortzetting alsnog toe, nu Woonbron zelf erkent dat appellante voldoende financiële waarborg biedt. Het incidenteel appel van Woonbron – gericht tegen het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is – faalt, omdat toepassing van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar wordt geacht.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past bestaande rechtspraak over redelijkheid en billijkheid toe op een specifieke termijnbepaling in het huurrecht, maar stelt geen nieuwe rechtsnorm vast; de betekenis is vooral praktisch voor vergelijkbare gevallen van huurvoortzetting na overlijden.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 7:268 lid 2 BW vereist dat een vordering tot huurvoortzetting binnen zes maanden na overlijden van de huurder wordt ingesteld.
- 2Het hof oordeelt dat strikte toepassing van deze termijn in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
- 3Woonbron erkent in hoger beroep op basis van nieuwe stukken dat appellante voldoende financiële waarborg biedt voor nakoming van de huur.
- 4Het incidenteel appel van Woonbron, gericht tegen het oordeel over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, wordt verworpen.
- 5Woonbron wordt veroordeeld in de proceskosten van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de zesmaandentermijn van artikel 7:268 lid 2 BW niet absoluut is en buiten toepassing kan blijven als strikte hantering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit biedt een beperkte maar relevante opening voor bewoners die de termijn hebben overschreden.
Praktische impact
Appellante kan de huurwoning behouden na het overlijden van haar huisgenoot, waarmee een dreigende dakloosheid wordt voorkomen. Woningcorporaties zoals Woonbron kunnen zich niet zonder meer beroepen op termijnoverschrijding als de overige voorwaarden voor huurvoortzetting zijn vervuld.
Onderwerp-impact
Voor de vastgoedsector en sociale huisvesting verduidelijkt deze uitspraak dat rechters bij huurvoortzetting na overlijden ruimte hebben om hardheidsclausule-achtige toetsing toe te passen op procesrechtelijke termijnen.
Samenvatting
Deze zaak draait om de vraag of een vrouw die jarenlang samenwoonde met een huurder van Woonbron na diens overlijden de huurovereenkomst kan voortzetten, ook al heeft zij de wettelijke termijn van zes maanden van artikel 7:268 lid 2 BW overschreden. Appellante was geen (mede)huurder maar had wel haar hoofdverblijf in de woning en had een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de overleden huurder. De kantonrechter had haar vordering in eerste aanleg afgewezen, maar oordeelde tegelijkertijd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Woonbron ging daartegen in incidenteel appel. In hoger beroep erkent Woonbron – na overlegging van aanvullende financiële stukken door appellante – dat zij wél voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. Daarmee vervalt één van de drie wettelijke afwijzingsgronden van artikel 7:268 lid 3 BW. Het hof oordeelt vervolgens dat toepassing van de zesmaandentermijn in dit concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het incidenteel appel van Woonbron, waarmee zij wilde bewerkstelligen dat het vonnis ondanks de erkende waarborg toch werd bekrachtigd vanwege de termijnoverschrijding, slaagt niet. Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering tot huurvoortzetting alsnog toe. Woonbron wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, inclusief het incidenteel hoger beroep. De uitspraak illustreert dat de termijn van artikel 7:268 lid 2 BW niet als harde vervaltermijn wordt gehanteerd wanneer de bijzondere omstandigheden van het geval – zoals de kwetsbare positie van een langdurige bewoner na overlijden van een huurder – strikte toepassing onaanvaardbaar maken.