Amsterdam bevoegd voor schadevergoeding via Brussel I-bis
ECLI:NL:GHAMS:2026:2785, Gerechtshof Amsterdam, 22-09-2026, 200.355.981
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Opzegging van een duurovereenkomst tussen een in Nederland gevestigde vervoerder en een in Duitsland gevestigde opdrachtgever. De opdrachtgever zou bij zijn opzegging van de overeenkomst geen redelijker termijn in acht hebben genomen en daardoor schadeplichtig zijn geworden. Omdat de opdrachtgever de handelsrelatie in Duitsland heeft beëindigd, moet de verbintenis die hij volgens de vervoerder niet is nagekomen, in Duitsland worden gelokaliseerd. De Nederlandse rechter is daarom niet (aanvullend) bevoegd om van de schadevergoedingsvordering van de vervoerder kennis te nemen.
Kern van de zaak
Appellant vordert schadevergoeding van geïntimeerde wegens onjuiste beëindiging van een handelsrelatie in de transportsector. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd op basis van artikel 4 Brussel I-bis (woonplaats gedaagde). Appellant ging in hoger beroep en betoogde dat artikel 7 Brussel I-bis de Nederlandse rechter bevoegdheid geeft.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de internationale bevoegdheid niet automatisch via artikel 31 CMR moet worden bepaald, maar via de Verordening Brussel I-bis. Het hof honoreert in beginsel het standpunt van appellant dat artikel 7 lid 1 Brussel I-bis de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan onderbouwen, en verwerpt daarmee de redenering van de rechtbank.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een relatief specifieke bevoegdheidskwestie aan de grens van CMR en Brussel I-bis, relevant voor de transportsector maar niet richtinggevend op het niveau van de Hoge Raad of het HvJ EU. De uitkomst is juridisch interessant maar beperkt in bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1De rechtbank verklaarde zich onbevoegd op grond van artikel 4 Brussel I-bis (woonplaats gedaagde als bevoegde rechter).
- 2Artikel 31 CMR is niet van toepassing omdat de vordering niet voortvloeit uit de vervoersovereenkomst zelf maar uit de wijze van beëindiging van de handelsrelatie.
- 3Het ontbreken van een bevoegde rechter op grond van artikel 31 CMR betekent niet dat artikel 7 Brussel I-bis niet kan worden toegepast.
- 4Artikel 7 lid 1 onder b Brussel I-bis (plaats van dienstverlening) kan bevoegdheid geven aan de Nederlandse rechter als de diensten het nauwst met Nederland verbonden zijn.
- 5Subsidiair kan artikel 7 lid 1 onder a Brussel I-bis (plaats van verbintenis) bevoegdheid geven als de schadevergoeding in Nederland betaald moet worden.
Impactanalyse
Juridische impact
Het arrest verduidelijkt dat bij het wegvallen van de CMR-bevoegdheidsregel teruggevallen wordt op Brussel I-bis artikel 7, en dat het ontbreken van een CMR-forumgrond niet leidt tot exclusieve toepasselijkheid van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4. Dit heeft betekenis voor de afbakening tussen sectorspecifieke verdragsbevoegdheid en de algemene EU-verordening.
Praktische impact
Transportondernemingen en dienstverleners die handelsrelaties beëindigen kunnen onder omstandigheden de Nederlandse rechter adiëren op grond van artikel 7 Brussel I-bis, ook als de CMR geen bevoegde rechter aanwijst voor hun vordering.
Onderwerp-impact
In de transportsector biedt dit arrest duidelijkheid dat vorderingen wegens het beëindigen van handelsrelaties lossstaan van de vervoersovereenkomst en dus niet automatisch onder de CMR-bevoegdheidsregeling vallen.
Samenvatting
In deze procedure vorderde appellant schadevergoeding van geïntimeerde wegens de gestelde onjuiste wijze waarop hun handelsrelatie was beëindigd. De rechtbank Amsterdam had zich onbevoegd verklaard en geoordeeld dat de vordering niet voortvloeide uit de vervoersovereenkomsten (en dus niet onder artikel 31 CMR viel), maar uit de beëindiging van de handelsrelatie. Op grond van de hoofdregel van artikel 4 Verordening Brussel I-bis wees de rechtbank de rechter van de woonplaats van geïntimeerde aan als bevoegde rechter, en niet de Nederlandse rechter. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank Amsterdam wél bevoegdheid kon ontlenen aan artikel 7 lid 1 Brussel I-bis. Het Gerechtshof Amsterdam stelt voorop dat partijen terecht aanvaarden dat de vordering niet voortvloeit uit de vervoersovereenkomst waarop de CMR van toepassing is. Dit betekent echter niet, aldus het hof, dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 7 Brussel I-bis enkel omdat artikel 31 CMR geen bevoegde rechter aanwijst. De bevoegdheid moet in dat geval volledig worden bepaald aan de hand van de Verordening Brussel I-bis. Het hof overweegt vervolgens dat artikel 7 lid 1 onder b Brussel I-bis bevoegdheid kan verlenen aan de Nederlandse rechter, omdat de dienstverlening van appellant het nauwst met Nederland is verbonden dan wel omdat appellant in Nederland is gevestigd. Subsidiair zou artikel 7 lid 1 onder a Brussel I-bis bevoegdheid kunnen gronden indien de verplichting tot schadevergoeding in Nederland nagekomen moet worden. Het hof corrigeert daarmee de rechtbank en opent de weg voor inhoudelijke behandeling van de vordering door de Nederlandse rechter. De uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen sectorspecifieke verdragsbevoegdheid (CMR) en de algemene EU-bevoegdheidsregels, met praktische betekenis voor transportgeschillen waarbij de handelsrelatie zelf wordt beëindigd.