Herroepingsverzoek arrestenreeks afgewezen na faillissement appellant
ECLI:NL:GHAMS:2026:2647, Gerechtshof Amsterdam, 15-09-2026, 200.364.200
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Herroepingsprocedure; artikel 29 Fw is van toepassing en niet artikel 27 Fw; ambtshalve schorsing.
Kern van de zaak
Appellant vordert herroeping van een tussenarrest en eindarrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij hij was veroordeeld tot betaling van €300.000,- aan geïntimeerde 1 en waarbij onrechtmatig handelen jegens geïntimeerde 2 was vastgesteld. Na het instellen van het geding tot herroeping is appellant in staat van faillissement geraakt, waarna de bewindvoerder weigerde het geding over te nemen.
Beslissing van de rechter
Het hof behandelt het verzoek tot ontslag van instantie door geïntimeerden (op grond van art. 27 lid 2 jo. 313 Fw), nu de bewindvoerder het geding tot herroeping niet heeft overgenomen; appellant heeft verzocht het geding buiten bezwaar van de boedel voort te mogen zetten. De uitspraak betreft de afwikkeling van de processuele gevolgen van het faillissement van appellant in het herroepingsgeding; de inhoudelijke beslissing over herroeping lijkt nog niet definitief genomen te zijn op basis van de beschikbare tekst.
Impactscore
LaagDe zaak betreft een processuele tussenstap in een specifieke herroepingsprocedure na faillissement, zonder dat een richtinggevende rechtsregel wordt geformuleerd; de beschikbare tekst is bovendien onvolledig.
Belangrijkste punten
- 1Het eindarrest veroordeelde appellant tot betaling van €300.000,- aan geïntimeerde 1, plus beslagkosten en schadevergoeding nader op te maken bij staat aan geïntimeerde 2.
- 2Appellant heeft een geding tot herroeping ingesteld en vordert volledige afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen van geïntimeerden.
- 3Na faillissement van appellant heeft de bewindvoerder geweigerd het herroepingsgeding over te nemen (art. 27 lid 2 jo. 313 Fw).
- 4Geïntimeerden verzoeken ontslag van instantie; appellant wenst het geding 'buiten bezwaar van de boedel' voort te zetten.
- 5De uitspraak bevat slechts de overwegingen en beoordeling in de aktefase; de inhoudelijke beoordeling van de herroepingsgronden is op basis van de beschikbare tekst onzeker.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak illustreert de toepassing van art. 27 lid 2 jo. 313 Fw bij herroepingsprocedures na faillissement van een procespartij, en de vraag of een gefailleerde appellant het geding buiten bezwaar van de boedel mag voortzetten.
Praktische impact
Voor geïntimeerden brengt het faillissement van appellant onzekerheid over de executie van de toegewezen bedragen; de vraag of het herroepingsgeding doorloopt heeft directe gevolgen voor de rechtskracht van het eindarrest.
Onderwerp-impact
In faillissementssituaties waarbij een herroepingsprocedure loopt, is de positie van de bewindvoerder en de mogelijkheid tot voortzetting buiten bezwaar van de boedel van groot praktisch belang voor alle betrokken schuldeisers.
Samenvatting
In deze procedure bij het Gerechtshof Amsterdam staat een geding tot herroeping centraal van eerdere arresten (tussenarrest en eindarrest) in een civielrechtelijk geschil tussen appellant en twee geïntimeerden. Bij het eindarrest was appellant veroordeeld tot betaling van €300.000,- aan geïntimeerde 1, waren beslagkosten toegewezen, was een verklaring voor recht uitgesproken dat appellant onrechtmatig had gehandeld jegens geïntimeerde 2, en was een veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat opgelegd. Daarnaast was vordering (v) – terugbetaling van hetgeen geïntimeerden ter uitvoering van een eerder rechtbankvonnis aan appellant hadden voldaan – gedeeltelijk toegewezen. Appellant heeft vervolgens een geding tot herroeping ingesteld en vordert dat beide arresten worden herroepen, het geding wordt heropend en alle vorderingen van geïntimeerden alsnog volledig worden afgewezen. De procedure heeft echter een complicerende wending genomen doordat appellant in staat van faillissement is geraakt. De bewindvoerder heeft te kennen gegeven het herroepingsgeding niet te willen overnemen. Op grond van artikel 27 lid 2 juncto artikel 313 van de Faillissementswet hebben geïntimeerden daarop ontslag van instantie verzocht. Appellant heeft hier tegenin gebracht dat hij het geding 'buiten bezwaar van de boedel' wenst voort te zetten. De kern van de huidige fase betreft dus de processuele vraag of het herroepingsgeding kan worden voortgezet ondanks het faillissement van appellant, en zo ja, door wie en in welke hoedanigheid. De beschikbare tekst van de uitspraak is beperkt tot de aktefase en laat de uiteindelijke beslissing hierover onzeker. De zaak is om die reden van beperkte brede juridische betekenis, maar illustreert wel de complexe samenloop van herroepingsprocedures en insolventierecht.