Dexia-effectenlease: verjaringsgeschil echtgenote deels beslecht
ECLI:NL:GHAMS:2026:2387, Gerechtshof Amsterdam, 25-08-2026, 200.332.583/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht.”
Kern van de zaak
Een echtgenote heeft effectenleaseovereenkomsten gesloten door haar echtgenoot met Dexia vernietigd op grond van artikel 1:89 jo. 1:88 BW (toestemmingsvereiste). Dexia betwist de vordering en beroept zich op verjaring. Beiden hebben tijdig een opt-out verklaard voor de WCAM-overeenkomst van 2007.
Beslissing van de rechter
Het hof behandelt het hoger beroep van Dexia, waarbij de centrale vraag is of de rechtsvordering tot vernietiging van effectenleaseovereenkomsten 1 en 2 verjaard is. Ten aanzien van overeenkomst 3 staat vast dat deze tijdig is vernietigd; de grieven van Dexia richten zich uitsluitend op overeenkomsten 1 en 2. De uitspraak is onvolledig en bevat nog geen eindbeslissing op de verjaringsvraag.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele Dexia-effectenleasezaak in een reeks van zeer veel gelijksoortige procedures; de rechtsvragen zijn grotendeels uitgekristalliseerd door vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Bovendien is de uitspraak onvolledig, waardoor de werkelijke impact niet volledig beoordeeld kan worden.
Belangrijkste punten
- 1Echtgenote heeft tijdig opt-out verklaard voor de WCAM-overeenkomst van 25 januari 2007, zodat deze overeenkomst haar niet bindt.
- 2Dexia beroept zich op verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging ex artikel 1:89 BW.
- 3Effectenleaseovereenkomst 3 is tijdig vernietigd conform HR 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) omdat zij binnen drie jaar vóór de collectieve vordering werd afgesloten.
- 4Het verjaringsgeschil spitst zich toe op effectenleaseovereenkomsten 1 en 2, waartegen Dexia kenbare grieven heeft gericht.
- 5De tekst van de uitspraak is onvolledig; de definitieve overwegingen en het dictum ontbreken.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt de vaste Dexia-jurisprudentie over de verjaringstermijn van de vernietigingsbevoegdheid ex artikel 1:89 BW, waarbij het arrest HR 9 oktober 2015 als ijkpunt geldt voor tijdige vernietiging. Een volledig oordeel ontbreekt door de onvolledige tekst.
Praktische impact
Voor de echtgenote en haar echtgenoot blijft de uitkomst ten aanzien van overeenkomsten 1 en 2 onzeker; bij gegrondheid van het verjaringsverweer van Dexia vervalt de aanspraak op terugbetaling van de door kantonrechter toegewezen bedragen.
Onderwerp-impact
De uitspraak is relevant voor de afwikkeling van nog lopende Dexia-effectenleasezaken en de vraag in hoeverre opt-out gerechtigden hun vernietigingsrechten rechtsgeldig en tijdig hebben kunnen inroepen.
Samenvatting
In deze procedure bij het Gerechtshof Amsterdam staat centraal of de rechtsvordering van een echtgenote tot vernietiging van door haar echtgenoot gesloten effectenleaseovereenkomsten met Dexia Bank is verjaard. De echtgenote heeft op grond van artikel 1:89 jo. 1:88 BW bij vernietigingsbrief de effectenleaseovereenkomsten vernietigd wegens het ontbreken van haar toestemming. Zowel de afnemer als de echtgenote hebben tijdig een opt-out verklaring uitgebracht voor de WCAM-overeenkomst die dit hof op 25 januari 2007 verbindend heeft verklaard, zodat zij niet aan die collectieve regeling zijn gebonden. De kantonrechter had in eerste aanleg geoordeeld dat de rechtsvordering tot vernietiging niet was verjaard, de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten voor recht verklaard en Dexia veroordeeld tot terugbetaling van ontvangen bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. In hoger beroep bestrijdt Dexia onder meer dit verjaringsoordeel. Het hof stelt vast dat Dexia haar grieven uitsluitend richt op effectenleaseovereenkomsten 1 en 2. Ten aanzien van effectenleaseovereenkomst 3 heeft de kantonrechter, in lijn met het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018), geoordeeld dat de vernietiging tijdig heeft plaatsgevonden omdat deze overeenkomst is afgesloten binnen drie jaar voorafgaand aan het aanhangig maken van de collectieve vordering. Daartegen is geen kenbare grief gericht, zodat dit oordeel in hoger beroep vaststaat. De verdere inhoudelijke beoordeling van het verjaringsverweer ten aanzien van overeenkomsten 1 en 2 ontbreekt in de beschikbaar gestelde tekst van de uitspraak, waardoor de definitieve beslissing en de volledige motivering niet kunnen worden beoordeeld. De zaak illustreert de voortdurende afwikkeling van Dexia-effectenleasezaken binnen een al decennialang bestaand juridisch kader.