Dexia-effectenlease: verjaringsgrond echtgenote vernietigd
ECLI:NL:GHAMS:2026:2384, Gerechtshof Amsterdam, 25-08-2026, 200.340.328/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht.”
Kern van de zaak
Een afnemer sloot effectenleaseovereenkomsten met Dexia zonder schriftelijke toestemming van zijn echtgenote. De echtgenote vernietigde de overeenkomsten op grond van artikel 1:88/1:89 BW. Dexia betwistte dit in hoger beroep en beriep zich onder meer op verjaring van de vernietigingsvordering.
Beslissing van de rechter
Het hof behandelt het hoger beroep van Dexia tegen het vonnis van de kantonrechter, waarbij de effectenleaseovereenkomsten vernietigd waren verklaard en Dexia was veroordeeld tot terugbetaling. De centrale juridische vraag betreft de verjaring van de vernietigingsvordering op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW jo. artikel 1:89 BW; de tekst is onvolledig, zodat de uiteindelijke beslissing niet met zekerheid vastgesteld kan worden.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele Dexia-zaak in een langlopende serie vergelijkbare procedures; de rechtsvragen zijn grotendeels uitgekristalliseerd in eerdere jurisprudentie en de uitkomst is wegens onvolledige tekst onzeker.
Belangrijkste punten
- 1Effectenleaseovereenkomsten kwalificeren als huurkoop (koop op afbetaling) ex artikel 1:88 lid 1 sub d BW, waarvoor toestemming van de echtgenote vereist is.
- 2De echtgenote heeft tijdig een opt-out verklaring uitgebracht bij de WCAM-overeenkomst van 25 januari 2007, zodat zij niet aan die collectieve schikking is gebonden.
- 3De verjaringstermijn voor de vernietigingsvordering wordt beheerst door artikel 3:52 lid 1 sub d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW.
- 4Dexia betwist het oordeel van de kantonrechter dat de vernietigingsvordering niet is verjaard.
- 5De uitspraaktekst is onvolledig; de definitieve beoordeling van het verjaringsverweer en de einduitkomst zijn niet zichtbaar in de aangeleverde tekst.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak bevestigt opnieuw de vaste lijn dat effectenleaseovereenkomsten als huurkoop worden aangemerkt en dat de niet-instemmende echtgenoot vernietigingsbevoegdheid toekomt; de precieze invulling van de verjaringstermijn in dit concrete geval is wegens onvolledige tekst onzeker.
Praktische impact
Voor (voormalige) Dexia-afnemers en hun partners die opt-out hebben ingediend, blijft de mogelijkheid tot vernietiging en terugvordering in beeld, mits de verjaringstermijn niet is verstreken.
Onderwerp-impact
In financiële dienstverlening onderstreept de zaak het belang van het vereiste van toestemming bij risicovolle beleggingsproducten voor consumenten en de bescherming van huwelijkspartners daartegen.
Samenvatting
Deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam betreft een hoger beroep van Dexia tegen een vonnis van de kantonrechter in een klassieke effectenlease-procedure. De afnemer sloot meerdere effectenleaseovereenkomsten met Dexia zonder de wettelijk vereiste schriftelijke toestemming van zijn echtgenote. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt voor dergelijke overeenkomsten – die als koop op afbetaling (huurkoop) worden aangemerkt – een toestemmingsvereiste. Nu die toestemming ontbrak, kon de echtgenote de overeenkomsten vernietigen op grond van artikel 1:89 lid 1 BW, hetgeen zij ook heeft gedaan via een vernietigingsbrief. Zowel de afnemer als zijn echtgenote hadden tijdig een opt-out verklaring ingediend ten aanzien van de door dit hof in 2007 verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst, zodat zij niet aan de collectieve schikking zijn gebonden en hun individuele vorderingsrechten hebben behouden. De kantonrechter had de effectenleaseovereenkomsten vernietigd verklaard en Dexia veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van die overeenkomsten had ontvangen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. In hoger beroep stelt Dexia zich onder meer op het standpunt dat de vernietigingsvordering van de echtgenote is verjaard. De verjaringstermijn wordt in dit soort zaken bepaald door artikel 3:52 lid 1 sub d BW in samenhang met artikel 1:89 BW. Het hof zet de relevante juridische kaders uiteen, maar de aangeleverde uitspraaktekst is onvolledig: de uiteindelijke beoordeling van het verjaringsverweer en de eindconclusie van het hof zijn niet zichtbaar. De juridische en praktische betekenis van de zaak is daardoor beperkt in te schatten; zij past in een jarenlange stroom van vergelijkbare Dexia-procedures waarbij de verjaringsthematiek een terugkerend geschilpunt vormt.