Dexia-effectenlease vernietigd ondanks beroep op verjaring
ECLI:NL:GHAMS:2026:2383, Gerechtshof Amsterdam, 25-08-2026, 200.343.749/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Tussenarrest. Effectenlease. Is vernietigingsrecht ex art. 1:88 BW en art. 1:89 BW verjaard? Bewijsopdracht.”
Kern van de zaak
Een afnemer heeft met Dexia effectenleaseovereenkomsten gesloten zonder schriftelijke toestemming van zijn echtgenote. De echtgenote heeft de overeenkomsten vernietigd op grond van art. 1:89 BW. Dexia vocht in hoger beroep de vernietiging aan, onder meer met een beroep op verjaring van de rechtsvordering.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt het oordeel van de kantonrechter: de effectenleaseovereenkomst wordt aangemerkt als huurkoop (art. 1:88 lid 1 sub d BW) en de rechtsvordering tot vernietiging door de echtgenote is niet verjaard. Het beroep van Dexia op verjaring wordt verworpen, waardoor de vernietiging van de overeenkomst in stand blijft.
Impactscore
LaagDe uitspraak past in een al decennialange en uitgekristalliseerde rechtslijn rondom Dexia-effectenlease en voegt weinig nieuws toe aan bestaand recht; de relevantie is beperkt tot resterende individuele gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Effectenleaseovereenkomsten kwalificeren als koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van art. 1:88 lid 1 sub d BW, waarvoor toestemming van de echtgenote vereist was.
- 2De echtgenote had tijdig een opt-out verklaard onder de WCAM-overeenkomst van 2007, zodat zij niet gebonden was aan de collectieve schikking met Dexia.
- 3Dexia's beroep op verjaring van de vernietigingsvordering wordt door het hof verworpen.
- 4Het hoger beroep van Dexia was beperkt tot effectenleaseovereenkomst 1; ten aanzien van de overige overeenkomsten (2-4) hadden partijen reeds afgerekend.
- 5Dexia wordt veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van de berekening in het vonnis verschuldigd is, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat effectenleaseovereenkomsten als huurkoop worden gekwalificeerd en dat de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote op grond van art. 1:89 BW niet snel verjaart. Dit is relevant voor nog lopende Dexia-procedures waarin verjaring wordt ingeroepen.
Praktische impact
Afnemers en hun echtgenoten die tijdig een opt-outverklaring hebben uitgebracht en niet door de WCAM-overeenkomst worden gebonden, kunnen nog steeds met succes vernietiging van de effectenleaseovereenkomst inroepen en aanspraak maken op terugbetaling van betaalde bedragen.
Onderwerp-impact
In de financiële dienstverleningssector bevestigt dit arrest dat aanbieders van effectenleaseproducten zich niet kunnen bevrijden via een verjaringsverweer wanneer echtgenoten tijdig een opt-outverklaring hebben gedaan en de WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep van Dexia tegen een vonnis van de kantonrechter, waarbij de kantonrechter voor recht had verklaard dat een effectenleaseovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd door de echtgenote van de afnemer. De echtgenote had gebruik gemaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 1:89 BW, omdat de afnemer de overeenkomst had gesloten zonder haar schriftelijke toestemming zoals vereist onder artikel 1:88 BW. Zowel de afnemer als zijn echtgenote hadden tijdig een opt-outverklaring uitgebracht onder de WCAM-overeenkomst die het Gerechtshof Amsterdam in 2007 verbindend had verklaard voor de kring van gerechtigden, waardoor zij niet gebonden waren aan de collectieve schikking met Dexia. Dexia beperkte haar hoger beroep tot effectenleaseovereenkomst 1 en voerde onder meer aan dat de rechtsvordering tot vernietiging was verjaard. Het hof verwierp dit verjaringsverweer. Het hof stelde vast dat de effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder d BW, zodat toestemming van de echtgenote was vereist. Nu die toestemming ontbrak, was de echtgenote gerechtigd de overeenkomst te vernietigen. De vernietigingsbrief was tijdig verzonden en de rechtsvordering was niet verjaard. Het hof bekrachtigde daarmee de veroordeling van Dexia tot terugbetaling aan de afnemer van hetgeen op grond van de vastgestelde berekening verschuldigd is, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Ten aanzien van de overige overeenkomsten (2 t/m 4) hadden partijen reeds met elkaar afgerekend, zodat die buiten de beoordeling vielen. De uitspraak sluit aan bij de vaste rechtspraak in Dexia-zaken en heeft vooral betekenis voor nog lopende individuele procedures waarin Dexia een beroep doet op verjaring.