Raad van Arbitrage onbevoegd verklaard wegens ontbrekend arbitragebeding
ECLI:NL:GHAMS:2026:2107, Gerechtshof Amsterdam, 28-07-2026, 200.362.142/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen (RvA). De offerte waarin naar de algemene voorwaarden (inclusief het arbitrale beding) is verwezen, is door de opdrachtgevers verworpen. Een ander aanbod waarvan de algemene voorwaarden deel uitmaakten, is nooit gedaan. Dat de aannemer is doorgegaan met het verrichten van werkzaamheden voor de opdrachtgevers, zegt in dit verband niets, omdat hij met die werkzaamheden al was begonnen voordat de offerte werd uitgebracht. De algemene voorwaarden zijn daarom niet van toepassing geworden en de RvA was niet bevoegd van het geschil kennis te nemen. Volgt vernietiging van het arbitrale vonnis. Wetsartikelen: Art. 1065 lid 1 onder a Rv
Kern van de zaak
Solmar c.s. en appellant vorderden vernietiging van arbitrale vonnissen van de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen, omdat de offerte met arbitragebeding nooit door geïntimeerden zou zijn geaccepteerd. De RvA had zich eerder wel bevoegd verklaard op basis van een aannemingsovereenkomst waarop algemene voorwaarden van Solmar van toepassing zouden zijn.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam verklaart de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen onbevoegd om van het geschil kennis te nemen en vernietigt daarmee de arbitrale vonnissen. De doorslaggevende reden is het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage in de zin van artikel 1065 lid 1 sub a Rv, nu de offerte met het arbitragebeding niet rechtsgeldig door geïntimeerden is geaccepteerd.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor de bouwpraktijk en de toepassing van arbitragebedingen in algemene voorwaarden, maar betreft een casuïstische toepassing van gevestigde rechtsnormen zonder nieuwe rechtsvragen; de impact blijft daarmee beperkt tot vergelijkbare gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Vernietiging van arbitraal vonnis op grond van artikel 1065 lid 1 sub a Rv wegens ontbreken geldige arbitrageovereenkomst
- 2De RvA had zich in een incidenteel vonnis ten onrechte bevoegd verklaard op basis van mondeling accorderen van de offerte
- 3Het hof volgt de stelling van Solmar c.s. dat de offerte met het arbitragebeding nimmer rechtsgeldig door geïntimeerden is aanvaard
- 4Ook de subsidiaire vraag of het arbitragebeding geldt in de relatie met appellant speelde een rol, nu hij ondanks afwijzing van de vordering in proceskosten was veroordeeld
- 5Geïntimeerden worden hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld (€ 9.504,02 plus nasalaris en wettelijke rente)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat rechters streng toetsen of een arbitragebeding in algemene voorwaarden rechtsgeldig is overeengekomen, en dat een niet-geaccepteerde offerte onvoldoende grondslag biedt voor arbitrale bevoegdheid. Dit sluit aan bij de vaste lijn dat arbitrage een contractuele basis vereist die duidelijk uit wilsovereenstemming blijkt.
Praktische impact
Solmar c.s. en appellant ontsnappen aan de bindende werking van de arbitrale vonnissen en kunnen het onderliggende geschil desgewenst aan de gewone rechter voorleggen. Geïntimeerden worden geconfronteerd met aanzienlijke proceskosten en verliezen de voordelen van de reeds doorlopen arbitrageprocedure.
Onderwerp-impact
In de bouwsector, waar gebruik van Raad van Arbitrage-bedingen via algemene voorwaarden gangbaar is, onderstreept deze uitspraak dat aannemer en opdrachtgever duidelijk moeten vastleggen dat de offerte inclusief algemene voorwaarden is aanvaard, bij voorkeur schriftelijk en ondertekend.
Samenvatting
In deze zaak lag de vraag voor of de Raad van Arbitrage in bouwgeschillen bevoegd was kennis te nemen van een geschil tussen aannemingsbedrijf Solmar c.s. (en appellant) enerzijds en geïntimeerden anderzijds. Geïntimeerden hadden bij de RvA een vordering ingesteld op basis van een gestelde aannemingsovereenkomst, waarbij Solmar's algemene voorwaarden van toepassing zouden zijn verklaard. In artikel 21 van die algemene voorwaarden was een arbitragebeding opgenomen dat arbitrage bij de RvA voorschreef. Solmar c.s. betwistten echter dat de offerte — en daarmee de algemene voorwaarden inclusief het arbitragebeding — ooit door geïntimeerden was geaccepteerd. De RvA verwierp dit verweer in een incidenteel vonnis en achtte zich bevoegd, mede op basis van correspondentie waaruit zou blijken dat de offerte achteraf mondeling was geaccordeerd. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt anders. Op grond van artikel 1065 lid 1 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een arbitraal vonnis worden vernietigd wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage. Het hof stelt vast dat de offerte met het arbitragebeding niet rechtsgeldig door geïntimeerden is aanvaard, zodat er geen geldige arbitrageovereenkomst tot stand is gekomen. De verklaring van de RvA dat sprake zou zijn geweest van mondeling accorderen acht het hof onvoldoende onderbouwd. Het hof vernietigt de arbitrale vonnissen van 24 mei 2024 en 21 augustus 2025 en verklaart de RvA onbevoegd. Geïntimeerden worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 9.504,02, vermeerderd met nasalaris en wettelijke rente. De uitspraak benadrukt het belang van een duidelijke, aantoonbare wilsovereenstemming over het arbitragebeding, in het bijzonder wanneer dit via algemene voorwaarden wordt overeengekomen.