Hof wijst inzagevordering VvE-parkkosten incident af
ECLI:NL:GHAMS:2026:1930, Gerechtshof Amsterdam, 30-06-2026, 200.288.478/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Incident tot inzage in en afschrift van bepaalde bescheiden op grond van artikel 843a Rv en artikel 22 Rv na tussenarrest; overgangsrecht; geen rechtmatig belang; afwijzing
Kern van de zaak
Een Vereniging van Eigenaren (VvE) en Recreatie Beheer/NHRS twisten over parkkosten over de periode 2010-2020. De VvE vordert terugbetaling van te veel betaalde parkkosten, terwijl Recreatie Beheer een naheffing en kosten voor 2019-2020 claimt. In het incident vorderden Recreatie Beheer en NHRS inzage in en afgifte van stukken van de VvE.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de incidentele vordering tot inzage en afgifte af, evenals het verzoek ex artikel 22 Rv. Doorslaggevend is dat de vordering was gebaseerd op artikel 194 e.v. Rv (nieuw), maar omdat de zaak vóór 1 januari 2025 aanhangig werd gemaakt, geldt het vervallen artikel 843a (oud) Rv op grond van overgangsrecht, waaraan de vordering niet voldeed.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurebeslissing in een incident op basis van overgangsrecht, zonder nieuwe materieelrechtelijke regels. De uitkomst is casuïstisch en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare overgangssituaties.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht bepaalt dat artikel 843a (oud) Rv van toepassing blijft op zaken die vóór 1 januari 2025 aanhangig zijn gemaakt, in plaats van de nieuwe regeling van artikel 194 e.v. Rv.
- 2Het hof had in een eerder tussenarrest al geoordeeld dat het herzieningsbeding voor parkkosten geen ruimte biedt voor naheffing over voorafgaande jaren, noch voor terugbetaling achteraf.
- 3Een verlaging van het jaarlijkse parkbedrag kan niet eerder ingaan dan 2018, het jaar waarin de VvE daarop voor het eerst aanspraak maakte via de inleidende dagvaarding.
- 4Er is een deskundigenonderzoek aangekondigd naar de vraag of de daadwerkelijke parkkosten in 2018, 2019 en 2020 structureel lager waren dan de in rekening gebrachte vergoeding.
- 5De beslissing over de proceskosten van het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak onderstreept het belang van het overgangsrecht bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht: partijen dienen hun incidentele vorderingen tot inzage te funderen op het ten tijde van aanhangigmaking geldende procesrecht. Toepassing van de verkeerde wettelijke grondslag leidt tot afwijzing.
Praktische impact
Recreatie Beheer en NHRS krijgen de gevraagde stukken niet via dit incident, waardoor het deskundigenonderzoek naar de structurele hoogte van de parkkosten in 2018-2020 zonder deze informatie moet worden voortgezet.
Onderwerp-impact
Voor VvE's en beheerders van recreatieparken bevestigt deze uitspraak dat herzieningsbedingen voor periodieke vergoedingen in beginsel alleen toekomstige jaren kunnen raken, wat naheffingen en terugvorderingen over verstreken jaren bemoeilijkt.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam staat een langlopend geschil centraal tussen een Vereniging van Eigenaren (VvE) en Recreatie Beheer/NHRS over de hoogte van parkkosten voor de periode 2010-2020. De VvE vordert terugbetaling van naar haar mening te veel betaalde parkkosten, terwijl Recreatie Beheer een naheffing over 2010-2016 en betaling voor 2019-2020 eist. In een eerder tussenarrest had het hof al geoordeeld dat het contractuele herzieningsbeding uitsluitend betrekking kan hebben op toekomstige jaren en geen grondslag biedt voor naheffingen of terugbetalingen over verstreken perioden. Een verlaging kon bovendien niet eerder ingaan dan 2018, het jaar van de inleidende dagvaarding, maar of de parkkosten toen structureel lager waren, was nog niet voldoende aannemelijk. Daarom werd een deskundigenonderzoek aangekondigd naar de daadwerkelijke parkkosten in 2018, 2019 en 2020. In het onderhavige tussenarrest staat de incidentele vordering van Recreatie Beheer en NHRS centraal: zij verzochten de VvE te veroordelen tot inzage in en afgifte van stukken, gegrond op de nieuwe regeling van artikel 194 e.v. Rv. Het hof wijst deze vordering af omdat zij is gebaseerd op de verkeerde wettelijke grondslag. Nu de zaak vóór 1 januari 2025 aanhangig is gemaakt, blijft ingevolge het overgangsrecht van artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht het vervallen artikel 843a (oud) Rv van toepassing. Aan de vereisten van dat artikel wordt niet voldaan. Ook het verzoek ex artikel 22 Rv wordt afgewezen. De proceskosten worden aangehouden tot het eindarrest. De zaak wordt verwezen naar de rol van 14 juli 2026 zodat partijen zich kunnen uitlaten over de kostenbegroting van de te benoemen deskundige.