Verrekenvordering woonark vastgesteld op €71.458 na deskundigenrapport
ECLI:NL:GHAMS:2026:1851, Gerechtshof Amsterdam, 07-07-2026, 200.320.560/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Huwelijksvermogensrecht. Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Verrekening van door de man uit overgespaarde inkomsten uitgevoerde verbouwingen en gedane investeringen in de op naam van de vrouw staande woonark. Berekeningswijze ten aanzien van verbouwingen uit overgespaarde inkomsten: [X : (Y+X)] x Z. Daarbij staat X voor de verbouwingskosten op de peildatum waarop de verbouwing plaatsvond, Y betreft de waarde van de woonark voor de verbouwing en Z staat voor de waarde van de woonark op de peildatum. Berekeningswijze ten aanzien van de aflossingen: (X : Y) x Z. Daarbij staat X voor het afgeloste bedrag, respectievelijk de inbreng bij aankoop van de woonark, Y staat voor de waarde van de woonark bij aankoop en Z staat voor de waarde van de woonark op de peildatum. Wettelijke rente. Tussenuitspraak ECLI:NL:GHAMS:2025:2164 ECLI:NL:GHAMS:2025:1240 ECLI:NL:GHAMS:2024:2795 ECLI:NL:GHAMS:2024:706
Kern van de zaak
Gescheiden echtpaar met huwelijkse voorwaarden (koude uitsluiting met periodiek verrekenbeding) twistte over de hoogte van de verrekenvordering van de man voor door hem bekostigde verbouwingen aan de woonark die eigendom is van de vrouw. Partijen hadden nooit uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst het verzoek toe en stelt de netto verrekenvordering vast: na verrekening van over en weer vastgestelde bedragen dient de vrouw aan de man €71.458 te betalen, plus een afzonderlijk bedrag van €2.750 ter zake van de Ford S-Max. Doorslaggevend was de door een deskundige uitgevoerde taxatie van de woonark op vier peildata, waarmee de waardevermeerdering door de verbouwingen kon worden berekend.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke toepassing van bekende rechtspraak over periodieke verrekenbedingen op een concrete echtscheidingszaak; er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de beslissing is sterk casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1Periodiek verrekenbeding was overeengekomen maar nooit uitgevoerd, zodat verrekening bij echtscheiding plaatsvindt op basis van de alsdan aanwezige vermogensbestanddelen.
- 2Het hof had eerder de uit overgespaarde inkomsten betaalde verbouwingen vastgesteld op in totaal €80.000 (€10.000 in 2009-2010, €45.000 in 2015-2017 en €25.000 in 2018-2020).
- 3Een deskundige taxeerde de woonark op vier peildata vóór elke verbouwing en op 13 juli 2021 als peildatum echtscheiding, om de waardevermeerdering toe te rekenen.
- 4Naast de woonark speelden ook overige vermogensbestanddelen van de man (uit overgespaard vermogen) mee in de verrekening, evenals de Ford S-Max (€2.750).
- 5De vrouw heeft in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep wettelijke rente gevorderd over het te betalen bedrag.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van de methode-Hoge Raad voor beleggingsleer bij niet-uitgevoerde periodieke verrekenbedingen: investeringen in een goed van de andere echtgenoot leiden tot een verrekenvordering gerelateerd aan de waardevermeerdering. De inzet van een deskundige taxateur voor meerdere peildata is daarbij bepalend voor de omvang van de vordering.
Praktische impact
De vrouw moet €71.458 (plus mogelijk wettelijke rente) aan de man betalen; de woonark blijft haar eigendom maar de verbouwingswinst wordt alsnog verdeeld. Voor echtparen met een vergelijkbaar verrekenbeding benadrukt deze zaak het belang van jaarlijkse uitvoering om complexe eindafrekeningen te voorkomen.
Onderwerp-impact
In het domein van huwelijksvermogensrecht bevestigt deze zaak dat niet-nagekomen periodieke verrekenbedingen bij scheiding aanleiding geven tot omvangrijke vorderingen, zeker wanneer één echtgenoot aanzienlijk heeft geïnvesteerd in vermogen van de ander.
Samenvatting
Partijen waren gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarbij iedere gemeenschap van goederen was uitgesloten, maar een periodiek verrekenbeding was overeengekomen. Dit beding is gedurende het huwelijk nooit uitgevoerd. Bij de echtscheiding rees de vraag hoe hoog de verrekenvordering van de man was ter zake van verbouwingen die hij uit overgespaarde inkomsten had bekostigd aan de woonark die uitsluitend eigendom is van de vrouw. In een eerdere beschikking van 13 mei 2025 had het hof de aan de verbouwingen bestede overgespaarde inkomsten vastgesteld op €10.000 (periode 2009-2010), €45.000 (periode 2015-2017) en €25.000 (periode 2018-2020), in totaal €80.000. Om de uit deze investeringen voortvloeiende verrekenvordering te bepalen, benoemde het hof op 12 augustus 2025 een deskundige taxateur. Deze kreeg de opdracht de onderhandse verkoopwaarde van de woonark te taxeren op vier peildata: direct vóór elk van de drie verbouwingsperioden en op 13 juli 2021 als peildatum voor de eindafrekening. Op basis van het taxatierapport van 21 oktober 2025 kon het hof de door de verbouwingen gerealiseerde waardevermeerdering bepalen en toerekenen aan de man als verrekenvordering. Na verrekening van de over en weer vastgestelde vorderingen – waaronder ook overige uit overgespaard vermogen gevormde vermogensbestanddelen van de man en een bedrag van €2.750 voor de Ford S-Max – stelt het hof vast dat de vrouw per saldo een bedrag van €71.458 aan de man dient te betalen. Het hof kiest ervoor de afzonderlijke vorderingen expliciet in het dictum op te nemen alvorens het eindsaldo te vermelden. Over de door de vrouw gevorderde wettelijke rente zal het hof nog beslissen. De uitspraak is een praktijkvoorbeeld van de beleggingsleer bij niet-uitgevoerde periodieke verrekenbedingen en onderstreept het belang van deskundige taxatie op meerdere peildata.