Eigenaar Groningse woning eist hogere mijnbouwschadevergoeding
ECLI:NL:RVS:2026:4414, Raad van State, 29-07-2026, 202403009/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 juli 2020 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] een vergoeding van € 18.572,66, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, voor fysieke mijnbouwschade aan zijn woning toegekend. De Afdeling heeft op de zitting van 12 juni 2026 vier door [appellant] aanhangig gemaakte zaken behandeld. De vier zaken gaan over: 1. de fysieke mijnbouwschade aan de woning (onderhavige zaak 202403009/1/A2); 2. de afgewezen vergoeding voor de waardedaling van de woning (zaak 202403011/1/A2); 3. de beslissing om de woning in aanmerking te laten komen voor een beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403017/1/A2); en de daaropvolgende 4. feitelijke toevoeging van het adres van de woning aan het Lokaal Plan van Aanpak ten behoeve van de uitvoering van de inhoudelijke beoordeling aan de veiligheidsnorm (zaak 202403015/1/A2). Deze uitspraak gaat over de beoordeling van de fysieke mijnbouwschade en de vraag of [appellant] recht heeft op een hogere schadevergoeding dan is toegekend door de rechtbank (€ 29.246,38). De Afdeling doet vandaag ook uitspraak in de drie andere in nummer 1 genoemde zaken.
Kern van de zaak
Een eigenaar van een vrijstaande woning in Groningen, eigenaar sinds 1991, diende in 2018 een aanvraag in voor vergoeding van fysieke mijnbouwschade. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen kende een vergoeding toe die de rechtbank bevestigde op €29.246,38, maar appellant acht dit bedrag onvoldoende en ging in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De uitspraak betreft de beoordeling van de hoogte van de fysieke mijnbouwschadevergoeding; op basis van de beschikbare tekst is de exacte eindbeslissing (toewijzing hogere vergoeding of afwijzing) niet volledig kenbaar. De zaak maakt deel uit van een reeks van vijf samenhangende zaken over hetzelfde pand, waaronder ook een tussenuitspraak van 2 oktober 2024 over gebreken in het deskundigenadvies bij de veiligheidsnormbeoordeling.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele schadezaak zonder aanwijzingen dat nieuwe rechtsnormen worden gesteld; de uitspraaktekst is bovendien onvolledig, wat een hogere inschatting van juridische precedentwerking niet rechtvaardigt.
Belangrijkste punten
- 1De zaak betreft uitsluitend de fysieke mijnbouwschade; aparte zaken lopen over waardedaling, veiligheidsnormbeoordeling en toevoeging aan het Lokaal Plan van Aanpak.
- 2Deskundige CED begroot vergoedbare schade aanvankelijk op €7.516,78; de rechtbank stelde de vergoeding uiteindelijk vast op €29.246,38.
- 3Een deel van de schades werd niet vergoed omdat NAM deze al in 2014 had erkend en vergoed, waardoor dubbelvergoeding dreigde.
- 4In de parallelle veiligheidsnormzaak oordeelde de Afdeling op 2 oktober 2024 dat het normbesluit onzorgvuldig tot stand is gekomen wegens onvolkomenheden in het deskundigenadvies.
- 5De uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing over de hoogte van de schadevergoeding niet met zekerheid kan worden vastgesteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak illustreert de complexe samenloop van meerdere bestuursrechtelijke procedures rond mijnbouwschade in Groningen en bevestigt dat eerdere NAM-vergoedingen in mindering kunnen worden gebracht op nieuwe aanspraken. De onvolledigheid van de uitspraaktekst beperkt de mogelijkheid om een definitieve juridische conclusie te trekken.
Praktische impact
Voor de appellant betekent de procedure dat zijn totale schadeclaim over meerdere jaren en via meerdere instanties wordt afgewikkeld, wat aanzienlijke onzekerheid en proceskosten meebrengt. Bewoners in het Groninger aardbevingsgebied worden geconfronteerd met een complex samenstel van procedures dat de toegang tot volledige compensatie bemoeilijkt.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt de voortdurende problematiek van mijnbouwschadevergoedingen in Groningen en de rol van het Instituut Mijnbouwschade Groningen als uitvoerder, met bijzondere aandacht voor de samenloop van fysieke schade, waardedaling en veiligheidsversterking.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State van 29 juli 2026 betreft een hoger beroep van een eigenaar van een vrijstaande woning in Groningen over de hoogte van de aan hem toegekende vergoeding voor fysieke mijnbouwschade. De appellant is sinds 1991 eigenaar van de woning, die hij zelf heeft laten bouwen en van waaruit hij ook beroepsmatige werkzaamheden verricht. In september 2018 diende hij een schadeclaim in bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen. Een deskundige van CED bezocht de woning in 2019 en begroot de vergoedbare schade op circa €7.500; een deel van de geclaimde schades werd afgewezen omdat deze al eerder door de NAM waren vergoed. De rechtbank stelde de vergoeding uiteindelijk vast op €29.246,38, maar de appellant achtte dit onvoldoende en ging in hoger beroep. De zaak staat niet op zichzelf: tegelijkertijd lopen bij de Afdeling vier andere procedures over hetzelfde pand, waaronder zaken over waardedaling, de veiligheidsnormbeoordeling en de toevoeging van het adres aan het Lokaal Plan van Aanpak. In een parallelle tussenuitspraak van 2 oktober 2024 oordeelde de Afdeling al dat het normbesluit – waarin de minister vaststelde dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm – onzorgvuldig tot stand is gekomen wegens tekortkomingen in het deskundigenadvies. De beschikbare uitspraaktekst is helaas onvolledig, waardoor de definitieve uitkomst van de schadevergoedingsprocedure niet met zekerheid kan worden vastgesteld. De zaak illustreert de complexiteit en langdurigheid van de mijnbouwschadeprocedures in Groningen, waarbij één woning tegelijkertijd het onderwerp is van meerdere bestuursrechtelijke geschillen over uiteenlopende aspecten van schade en veiligheid.