ECLI:NL:RVS:2026:5312, Raad van State, 09-09-2026, 202500668/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 3 november 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd, wegens onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan twee bewoners. [appellante] is eigenaar van de woning aan de [locatie] in Den Haag. Inspecteurs van de Haagse Pandbrigade hebben op 20 mei 2022 geconstateerd dat er in de woning zes personen wonen die geen duurzaam, gemeenschappelijk huishouden vormen. De inspecteurs hebben geconcludeerd dat sprake is van onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan twee personen. Bij besluit van 30 juni 2022 heeft het college [appellante] wegens overtreding van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 een last onder dwangsom ter hoogte van € 5.000,00 opgelegd. [appellante] kreeg tot 18 augustus 2022 de tijd om de overtreding te beëindigen en diende de overtreding vervolgens beëindigd te houden. Op 12 juli 2022 hebben de inspecteurs vastgesteld dat de woning leeg is. Bij een hercontrole op 27 september 2022 constateerden de inspecteurs zeven slaapplaatsen in de woning en hebben zij zes personen in de woning aangetroffen. Het college heeft bij besluit van 15 december 2022 vastgesteld dat de op 30 juni 2022 opgelegde last onder dwangsom is verbeurd. Met een invorderingsbeschikking van 15 december 2022 heeft het college de dwangsom ingevorderd. Omdat de overtreding nog niet was beëindigd, heeft het college op 3 november 2022 een tweede last onder dwangsom opgelegd, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00. [appellante] kreeg tot 22 december 2022 de tijd om de overtreding te beëindigen.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.