JurispRadar
ECLI:NL:RBNNE:2026:2286Hoog68/100

Rechtbank: NAM moet schadekosten Gronings aardbevingsinstituut betalen

ECLI:NL:RBNNE:2026:2286, Rechtbank Noord-Nederland, 12-06-2026, 24/3332

Rechtbank Noord-NederlandUitspraak: 12 juni 2026Publicatie: 11 juni 2026
Procedure:Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer:24/3332

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Deze uitspraak gaat over de eerste heffing die de Minister aan NAM op grond van artikel 15 van de Tijdelijke Wet Groningen (hierna: TwG) heeft opgelegd. Het gaat om kosten die het Instituut Mijnbouwschade Groningen (het Instituut) heeft gemaakt in verband met de afhandeling van fysieke schade aan gebouwen en werken over het derde en vierde kwartaal van 2020. Het gaat om een bedrag van ruim 268 miljoen euro. NAM is het niet eens met de wijze waarop de door het Instituut vergoede fysieke schade door de Minister is doorbelast aan NAM en voert daar – kort samengevat – tegen aan dat de Minister op grote schaal vergoedingen bij NAM in rekening heeft gebracht voor reguliere schades die niet zijn veroorzaakt door gaswinning. Volgens NAM ontbreekt de wettelijke basis voor de doorbelasting; alleen vergoedingen die in overeenstemming zijn met de civielrechtelijke aansprakelijkheid van NAM en de daaraan verbonden – en redelijke – uitvoeringskosten mogen worden doorbelast. NAM stelt dat de Minister niet alle kosten die “aan de voordeur” zijn uitgekeerd, aan “de achterdeur” kan doorbelasten, maar zelfstandig moet beoordelen of er daadwerkelijk sprake is van mijnbouwschade. De rechtbank toetst in deze uitspraak of de gemaakte en doorbelaste kosten die gebaseerd zijn op het beleid en de werkwijze van het Instituut, passen binnen toepasselijke de bestuurs- en civielrechtelijke kaders. Bij haar beoordeling kijkt de rechtbank onder andere naar de wetsgeschiedenis, de civiele en bestuursrechtelijke rechtspraak en de beschikbare deskundigenrapporten. Twee van de belangrijkste geschilpunten zijn de afbakening van het effectgebied en de maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden. Hierover zijn door zowel NAM als de Minister diverse deskundigen benaderd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de door partijen hierover ingebrachte stukken, waaronder deskundigenberichten, en heeft -behalve het juridische debat op de zittingen van 16 en 19 maart 2026- op de zitting van 17 maart 2026 ook een hele dag met diverse deskundigen over deze onderwerpen gesproken. Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat het Instituut de gekozen afbakening van het effectgebied kan hanteren en bij de maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden niet buiten de wettelijke kaders en de civiele rechtspraak hierover is getreden. Ook de beroepsgronden van NAM over zettingsschade, het causaliteitsonderzoek, toepassing overige regels uit het BW, het calculatiemodel, de uitvoeringskosten, het motiveringsbeginsel en artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM slagen niet. De rechtbank komt in deze uitspraak daarom tot het oordeel dat de Minister de door het Instituut uitgekeerde schadevergoedingen voor fysieke schade en de door het Instituut gemaakte uitvoeringskosten terecht heeft doorbelast aan NAM.

Kern van de zaak

De Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) vecht aan dat de Minister de door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) uitgekeerde schadevergoedingen en uitvoeringskosten bij haar in rekening heeft gebracht. NAM betwist onder meer de afbakening van het effectgebied, de maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden en diverse andere methodologische keuzes van het IMG.

Beslissing van de rechter

De rechtbank wijst alle beroepsgronden van NAM af en oordeelt dat de Minister de door het IMG uitgekeerde schadevergoedingen voor fysieke schade en de bijbehorende uitvoeringskosten terecht aan NAM heeft doorbelast. Doorslaggevend is dat het IMG binnen de wettelijke bestuurs- en civielrechtelijke kaders is gebleven bij zowel de afbakening van het effectgebied als de maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden.

68van 100

Impactscore

Hoog

De zaak betreft een omvangrijk en maatschappelijk zeer relevant dossier (Groningse aardbevingsschade) waarbij grote financiële belangen spelen en de uitspraak de rechtmatigheid van het gehele heffings- en schadevergoedingsstelsel bevestigt; het gaat echter om een rechtbankvonnis zonder fundamenteel nieuwe rechtsregels.

Belangrijkste punten

  • 1Afbakening van het effectgebied door het IMG is juridisch toelaatbaar en past binnen de wettelijke kaders.
  • 2De maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden is niet in strijd met het BW of de civiele rechtspraak.
  • 3Beroepsgronden over zettingsschade, causaliteitsonderzoek, calculatiemodel en uitvoeringskosten falen alle.
  • 4Artikel 1 Eerste Protocol EVRM (bescherming eigendomsrecht NAM) biedt NAM geen soelaas.
  • 5Rechtbank baseerde oordeel mede op uitgebreide deskundigenraadpleging, inclusief een volledige zittingsdag met deskundigen op 17 maart 2026.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat de publiekrechtelijke heffingssystematiek waarbij NAM via de Minister wordt aangeslagen voor door IMG uitgekeerde schadevergoedingen rechtmatig is, en schept duidelijkheid over de juridische grenzen van het bewijsvermoeden en de effectgebiedafbakening in mijnbouwschadezaken.

Praktische impact

NAM blijft volledig financieel verantwoordelijk voor de reeds uitgekeerde aardbevingsschadevergoedingen en de uitvoeringskosten van het IMG, wat de positie van gedupeerde Groningers versterkt en de doorlooptijd van verdere procedures kan beperken.

Onderwerp-impact

De uitspraak geeft duidelijkheid over de werkwijze van het IMG en de aansprakelijkheid van mijnbouwondernemingen voor schade door bodembeweging, wat relevant is voor lopende en toekomstige schadeafhandelingstrajecten in het Groningse gasdossier.

Samenvatting

De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 12 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijk geschil tussen de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) en de Minister, over de vraag of de Minister de door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) uitgekeerde schadevergoedingen voor fysieke aardbevingsschade en de bijbehorende uitvoeringskosten terecht aan NAM heeft doorbelast. NAM voerde een breed palet aan beroepsgronden aan. Centraal stonden de afbakening van het zogeheten effectgebied — het gebied waarbinnen het bewijsvermoeden van mijnbouwschade geldt — en de maatstaf die het IMG hanteert om dat vermoeden te weerleggen. Daarnaast betwistte NAM de behandeling van zettingsschade, de methode van causaliteitsonderzoek, de toepassing van diverse bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, het gehanteerde calculatiemodel, de hoogte van de uitvoeringskosten, de motivering van beslissingen en de verenigbaarheid van de heffingssystematiek met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming van eigendomsrecht). De rechtbank heeft alle beroepsgronden verworpen. Na uitvoerige bestudering van wetsgeschiedenis, civiele en bestuursrechtelijke jurisprudentie en een groot aantal deskundigenrapporten — mede op basis van een integrale zittingsdag op 17 maart 2026 waarop meerdere deskundigen werden gehoord — concludeert de rechtbank dat het IMG bij zijn werkwijze binnen de toepasselijke wettelijke kaders is gebleven. De afbakening van het effectgebied is juridisch houdbaar, en de maatstaf voor weerlegging van het bewijsvermoeden is niet in strijd met het BW of de heersende civiele rechtspraak. Ook de overige gronden van NAM treffen geen doel. De uitkomst bevestigt de rechtmatigheid van het publiekrechtelijke heffingsstelsel waarmee NAM wordt aangesproken voor de kosten van het IMG. Dit is van groot belang voor de voortgang van de schadeafhandeling in het Groningse aardbevingsdossier en voor de rechtspositie van gedupeerde bewoners.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 26 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5498Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5498, Raad van State, 16-09-2026, 202502470/1/R2

Raad van State16 sep 2026HandhavingVergunningen
32/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5479Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5479, Raad van State, 16-09-2026, 202505719/1/A2

Raad van State16 sep 2026OverheidVergunningen
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5511Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5511, Raad van State, 16-09-2026, 202505618/1/A2

Raad van State16 sep 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5491Middel
Bestuursrecht
Materieel strafrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5491, Raad van State, 16-09-2026, 202505174/1/A3

Raad van State16 sep 2026ArbeidsrelatiesHandhaving
34/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied