Hoge Raad: anderbeslag op vermogen derde getoetst aan EVRM
ECLI:NL:HR:2026:784, Hoge Raad, 22-05-2026, 24/04574
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Overheidsprivaatrecht (art. 6:162 BW). Burgerlijk procesrecht; behandeling als executiegeschil (art. 438 Rv). Handelt Staat onrechtmatig door het leggen van strafvorderlijk conservatoir 'anderbeslag' ter uitvoering strafrechtelijke ontnemingsmaatregel (art. 94a lid 4 en lid 5 Sv)? Inbreuk op eigendom derde op wiens bankrekening en roerende zaken beslag is gelegd (art. 1 Eerste Protocol EVRM)?
Kern van de zaak
De Staat legde conservatoir 'anderbeslag' (art. 94a lid 4-5 Sv) op vermogen van een vrouw, nadat haar partner verdacht werd van strafbare feiten. De vrouw stelde dat het beslag in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM, omdat haar vermogen was verkregen vóór de inwerkingtreding van de huidige wettelijke regeling.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad beoordeelt de klacht dat het hof heeft miskend dat toepassing van art. 94a lid 4 en 5 Sv in strijd is met art. 1 EP EVRM. De uitspraak is onvolledig aangeleverd, waardoor de definitieve beslissing niet met zekerheid kan worden vastgesteld; de Hoge Raad toetst de rechtmatigheid van het anderbeslag aan de vereisten van lawfulness en fair balance onder het EVRM.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad beoordeelt een fundamentele EVRM-toetsing van anderbeslag, wat gevolgen heeft voor de rechtspraktijk rondom ontneming en derdenbescherming; de onvolledigheid van de tekst noopt tot enige terughoudendheid in de eindscore.
Belangrijkste punten
- 1Conservatoir anderbeslag (art. 94a lid 4-5 Sv) kan worden gelegd op vermogen van een derde indien dat vermogen kennelijk is overgedragen om verhaal te frustreren.
- 2De vrouw betwist de lawfulness van het beslag omdat haar vermogen was verkregen vóór invoering van de huidige wettelijke regeling – een beroep op quasi-terugwerkende kracht.
- 3Art. 1 Eerste Protocol EVRM vereist dat een eigendomsinmenging lawful is, een legitiem doel dient en een fair balance biedt tussen algemeen en individueel belang.
- 4De zaak wordt behandeld als executiegeschil in de zin van art. 438 Rv, waarbij de civiele rechter de rechtmatigheid van het strafrechtelijk beslag toetst.
- 5De motiveringsklacht richt zich op onvoldoende respons van het hof op het EVRM-verweer van de vrouw.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad verduidelijkt de EVRM-toetsing van strafrechtelijk anderbeslag op derden, in het bijzonder de vereisten van lawfulness en fair balance bij vermogen verkregen vóór de relevante wetswijziging. Omdat de tekst onvolledig is, blijft de precieze richtinggevende werking onzeker.
Praktische impact
Voor derden op wier vermogen anderbeslag wordt gelegd biedt deze uitspraak aanknopingspunten voor EVRM-verweren, met name wanneer het vermogen is verkregen vóór de geldende wettelijke grondslag. Tegelijk schept het arrest duidelijkheid over de wijze waarop de civiele rechter strafrechtelijk beslag toetst.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt de samenloop van strafrecht en vermogensrecht bij ontnemingsmaatregelen en de bescherming van derden-eigenaren, relevant voor de strafrechtelijke praktijk rond ontneming en verhaal op derden.
Samenvatting
Deze zaak betreft een door de Staat gelegd conservatoir 'anderbeslag' op grond van art. 94a lid 4 en 5 Sv op vermogensbestanddelen van een vrouw, wier partner werd verdacht van strafbare feiten. De Staat stelde voldoende aanwijzingen te hebben dat de man vermogen aan de vrouw had overgedragen met het kennelijke doel verhaal daarop te bemoeilijken. De vrouw verzette zich tegen het beslag en voerde aan dat de toepassing van art. 94a lid 4 en 5 Sv in strijd is met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP), dat het ongestoorde genot van eigendom beschermt. De kern van het geschil betreft de vraag of het anderbeslag 'lawful' is in de zin van het EVRM. De vrouw betoogde dat haar vermogen was verkregen vóórdat de huidige wettelijke regeling in werking trad, zodat toepassing van die regeling neerkomt op een quasi-terugwerkende kracht waarvoor de vereiste rechtszekerheid ontbreekt. Bovendien zou geen sprake zijn van een 'fair balance' tussen het algemeen belang bij verhaal op crimineel vermogen en haar individuele eigendomsrecht. De Hoge Raad behandelt deze zaak als executiegeschil in de zin van art. 438 Rv, waarbij de civiele rechter de rechtmatigheid van het strafrechtelijk beslag toetst. Onderzocht wordt of het hof de EVRM-vereisten — lawfulness, legitiem doel en fair balance — correct heeft toegepast en of het oordeel voldoende is gemotiveerd in het licht van de door de vrouw aangevoerde stellingen. Omdat de aangeleverde uitspraaktekst onvolledig is, kan de definitieve beslissing van de Hoge Raad niet met zekerheid worden vastgesteld. Wel is duidelijk dat de Hoge Raad een inhoudelijke EVRM-toetsing van het anderbeslag uitvoert, hetgeen van belang is voor de rechtsbescherming van derden op wier vermogen in het kader van strafrechtelijke ontneming beslag wordt gelegd.