Schuldsanering beëindigd wegens stelselmatig verzwijgen bedrijfsbelangen
ECLI:NL:GHDHA:2026:2276, Gerechtshof Den Haag, 23-07-2026, 200.368.225/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)WSNP. Niet-ontvankelijk in hoger beroep. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.
Kern van de zaak
Appellant zat in de schuldsaneringsregeling (WSNP) maar verzweeg stelselmatig zijn betrokkenheid als oprichter en bestuurder bij drie buitenlandse vennootschappen. De bewindvoerder was hiervan niet op de hoogte. Pas na expliciet vragen door de rechter-commissaris verstrekte appellant de betreffende informatie.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beëindiging van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank Den Haag. De doorslaggevende reden is de ernstige en toerekenbare schending van de informatieverplichting ex artikel 350 lid 3 sub c Fw, waarbij appellant structureel zijn bedrijfsmatige activiteiten heeft verzwegen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen een vaste lijn van rechtspraak over de informatieverplichting in de WSNP en stelt geen nieuwe rechtsregels; de impact is beperkt tot de individuele zaak en bevestigt bestaand beleid.
Belangrijkste punten
- 1Appellant heeft de informatieverplichting uit de schuldsaneringsregeling stelselmatig geschonden door zijn rol als (indirect) bestuurder en aandeelhouder bij drie vennootschappen niet uit eigen beweging te melden.
- 2Het verweer dat de informatie al bekend zou zijn via schuldhulpverleners Van der Linden c.s. en Modus Vivendi werd verworpen: de verplichting tot eigener beweging informeren rust op de saniet zelf.
- 3De rechtbank oordeelde dat appellant bij bekendheid van deze informatie bij toelating niet zou zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
- 4Er ontbreekt bovendien een verklaring over het doel van de vennootschappen en is onduidelijkheid over de financiële gang van zaken binnen deze ondernemingen.
- 5De ernst van de toerekenbare tekortkomingen rechtvaardigt geen voortzetting van de regeling; het hof verklaart appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de informatieverplichting in de WSNP strikt wordt uitgelegd: de saniet dient eigener beweging alle relevante informatie te verstrekken, ook over buitenlandse bedrijfsbelangen, zonder af te kunnen gaan op veronderstelde bekendheid bij derden. Schending hiervan leidt tot beëindiging zonder schone lei.
Praktische impact
Voor appellant betekent de niet-ontvankelijkverklaring dat de beëindiging van de schuldsaneringsregeling in stand blijft en hij geen schone lei verkrijgt. Schuldeisers kunnen hun vorderingen weer volledig verhalen.
Onderwerp-impact
Schuldenaren in de WSNP worden gewaarschuwd dat het verzwijgen van bedrijfsmatige activiteiten — ook via buitenlandse entiteiten — onverkort leidt tot beëindiging van de regeling, ongeacht of derden mogelijk al op de hoogte waren.
Samenvatting
Appellant bevond zich in de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) en had op grond van artikel 350 lid 3 sub c Fw de verplichting om de bewindvoerder uit eigen beweging te informeren over alle relevante financiële en zakelijke omstandigheden. Ondanks deze verplichting verzweeg hij stelselmatig dat hij sinds 30 oktober 2020 betrokken was als oprichter en (enig) bestuurder bij drie vennootschappen: DLN & Co IBC Limited, Delyn Limited en Delyn & Co Beheer Limited. Deze vennootschappen werden ook tijdens de schuldsaneringsregeling voortgezet zonder medeweten van de bewindvoerder. Pas nadat de rechter-commissaris tijdens een verhoor op 16 december 2025 expliciet naar deze bedrijven vroeg, verstrekte appellant de betreffende informatie. De rechtbank Den Haag beëindigde de schuldsaneringsregeling op 17 april 2026 wegens deze toerekenbare en stelselmatige schending van de informatieverplichting. Appellant stelde in hoger beroep dat hij er vanuit mocht gaan dat de informatie al bekend was bij de bewindvoerder, omdat schuldhulpverleners Van der Linden c.s. en Modus Vivendi hiervan op de hoogte zouden zijn geweest. Het hof en de rechtbank verwierpen dit verweer: de verplichting om eigener beweging informatie te verschaffen rust onverkort op de saniet zelf. Appellant had kunnen en moeten begrijpen dat zijn bedrijfsmatige betrokkenheid voor de toelating en het verloop van de schuldsaneringsregeling van wezenlijk belang was. Had de rechtbank bij toelating geweten van deze belangen, dan was appellant niet toegelaten. Daarnaast ontbrak een deugdelijke verklaring over het doel van de vennootschappen en bestond onduidelijkheid over de financiële gang van zaken. Het hof oordeelde dat de ernst van de toerekenbare tekortkomingen voortzetting van de regeling niet rechtvaardigt en verklaarde appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Appellant ontvangt daarmee geen schone lei.