JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:391Laag20/100

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep Rabobank tegen curator

ECLI:NL:HR:2026:391, Hoge Raad, 13-03-2026, 25/00289

Hoge RaadUitspraak: 13 maart 2026Publicatie: 12 maart 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:25/00289

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Insolventierecht. Faillissementsrecht. Verrekening. Art. 54 Fw. Geschil over verrekening van schuld van bank als gevolg van creditering van inkomende betaling na peildatum van art. 54 Fw met vordering van bank die door uitvoering van betalingsopdrachten (uitgaande betalingen) daarna ontstaat. O.m. klacht van bank dat hof heeft miskend dat art. 54 Fw niet verplicht tot afdracht aan boedel van inkomende betalingen voor zover met daardoor ontstane kredietruimte uitgaande betalingen zijn verricht. Zie ook HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:390.

Kern van de zaak

Rabobank stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak waarbij de curator in een faillissement betrokken was. De rechtsvraag in deze zaak was identiek aan die in een parallelle procedure (zaak 24/02147). De Hoge Raad beoordeelt het cassatiemiddel van Rabobank.

Beslissing van de rechter

Het cassatieberoep van Rabobank is verworpen omdat de door Rabobank verdedigde rechtsopvatting onjuist is, zoals blijkt uit de gelijktijdig gewezen uitspraak in zaak 24/02147 (ECLI:NL:HR:2026:390). Rabobank wordt veroordeeld in de proceskosten van de curator ten bedrage van € 4.754,--.

20van 100

Impactscore

Laag

Dit arrest bevat geen zelfstandige rechtsoverweging en heeft uitsluitend belang als bevestiging van de uitkomst in de parallelle zaak. De werkelijke juridische impact is gelegen in ECLI:NL:HR:2026:390, die onbekend is uit de aangeleverde tekst.

Belangrijkste punten

  • 1De Hoge Raad verwijst volledig naar de parallelle uitspraak ECLI:NL:HR:2026:390 (zaak 24/02147) voor de inhoudelijke beoordeling van de rechtsvraag.
  • 2De door Rabobank in cassatie verdedigde rechtsopvatting is door de Hoge Raad als onjuist beoordeeld.
  • 3Rabobank wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie: € 2.554,-- verschotten en € 2.200,-- salaris, te vermeerderen met wettelijke rente bij te late betaling.
  • 4De uitspraak is een standaard-verwijzingsarrest zonder zelfstandige inhoudelijke motivering.
  • 5De inhoudelijke rechtsontwikkeling vindt plaats in de parallelle zaak 24/02147; dit arrest heeft zelfstandig beperkte precedentwerking.

Impactanalyse

Juridische impact

Dit arrest heeft op zichzelf beperkte zelfstandige juridische impact; de rechtsvraag is inhoudelijk beslecht in zaak 24/02147 (ECLI:NL:HR:2026:390), waarnaar de Hoge Raad verwijst. De werkelijke rechtsontwikkeling dient te worden ontleend aan die parallelle uitspraak.

Praktische impact

Rabobank verliest het cassatieberoep en dient de proceskosten van de curator te vergoeden. De uitkomst bevestigt dat de door Rabobank ingenomen juridische positie ten opzichte van de curator geen stand houdt.

Onderwerp-impact

Voor de financiële dienstverlening en de faillissementspraktijk is de parallel gewezen uitspraak 24/02147 bepalend; dit arrest bevestigt slechts de uitkomst in een vergelijkbare zaak waarbij Rabobank als financiële instelling tegenover een curator staat.

Samenvatting

In deze cassatieprocedure stond Rabobank tegenover een curator in het kader van een faillissement. Rabobank had cassatieberoep ingesteld en verdedigde daarin een bepaalde rechtsopvatting via haar cassatiemiddel. De Hoge Raad heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan in een parallelle zaak (24/02147, ECLI:NL:HR:2026:390) waarin precies dezelfde rechtsvraag centraal stond. De Hoge Raad heeft in de onderhavige zaak volstaan met een verwijzing naar die parallelle uitspraak en vastgesteld dat de door Rabobank verdedigde rechtsopvatting onjuist is. De klachten van het cassatiemiddel falen daarmee volledig. Het cassatieberoep wordt verworpen en Rabobank wordt veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de curator, begroot op € 2.554,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Dit arrest is inhoudelijk een zogenoemd 'verwijzingsarrest': de Hoge Raad motiveert de beslissing niet zelfstandig, maar leunt volledig op de redenering in de gelijktijdig gewezen uitspraak. Voor de juridische inhoud en de daadwerkelijke rechtsontwikkeling dient dan ook te worden gekeken naar ECLI:NL:HR:2026:390. De zelfstandige betekenis van dit arrest is daarmee beperkt: het bevestigt de uitkomst in een vergelijkbare zaak en heeft geen aanvullende precedentwerking. Voor de faillissementspraktijk en de positie van banken als Rabobank in relatie tot curatoren is kennis van de parallelle uitspraak onontbeerlijk om de volledige juridische strekking te begrijpen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 25 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2276Laag
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2276, Gerechtshof Den Haag, 23-07-2026, 200.368.225/01

Gerechtshof Den Haag23 jul 2026IncassoFaillissement
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:2003Laag
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2003, Gerechtshof Amsterdam, 21-07-2026, 200.356.988/01 en 200.356.988/02

Gerechtshof Amsterdam21 jul 2026ArbeidsrelatiesSchadevergoeding
22/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1301Laag
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1301, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/02837

Hoge Raad17 jul 2026Overheid
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1197Hoog
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1197, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/03432

Hoge Raad17 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
72/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied