Hoge Raad: bank mag NOW-subsidie niet verrekenen na faillissement
ECLI:NL:HR:2026:390, Hoge Raad, 13-03-2026, 24/02147
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Insolventierecht. Faillissementsrecht. Verrekening. Art. 54 Fw. Geschil over verrekening van schuld van bank als gevolg van creditering van inkomende betaling na peildatum van art. 54 Fw met vordering van bank die door uitvoering van betalingsopdrachten (uitgaande betalingen) daarna ontstaat. O.m. klacht van curator dat ten onrechte is afgeweken van vaste rechtspraak over art. 54 Fw op grond waarvan dergelijke verrekening niet mogelijk is.
Kern van de zaak
Na het faillissement van een vennootschap ontving de bank een NOW-subsidie van UWV op de rekening van de failliete schuldenaar. De curator vorderde dat de bank deze betaling niet mocht verrekenen met haar eigen vorderingen op de rekeninghouder. Het hof oordeelde dat art. 54 lid 1 Fw geen beletsel vormde voor deze verrekening, waartegen de curator cassatie instelde.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad behandelt onderdeel I van het middel, dat klaagt over het oordeel van het hof dat art. 54 lid 1 Fw niet in de weg staat aan verrekening door de bank van inkomende betalingen na het faillissementspeilmoment. De doorslaggevende reden is dat het hof ten onrechte afweek van vaste Hoge Raad-rechtspraak: inkomende bankbetalingen gelden als overgenomen schulden en mogen niet buiten de goede-trouwtoets van art. 54 Fw worden verrekend.
Impactscore
HoogDe Hoge Raad bevestigt en beschermt fundamentele regels rond faillissementsverrekening die direct relevant zijn voor de bancaire praktijk en curatoren in alle faillissementen waarbij betalingen op rekeningen binnenkomen na het peilmoment.
Belangrijkste punten
- 1Inkomende betalingen op een bankrekening worden beschouwd als door de bank overgenomen schulden aan de rekeninghouder (vaste HR-rechtspraak).
- 2Art. 54 lid 1 Fw stelt grenzen aan verrekening na het faillissementspeilmoment: de bank moet te goeder trouw hebben gehandeld.
- 3Het hof creëerde ten onrechte een nieuwe uitzondering op de verrekeningsregels ten gunste van banken.
- 4Een bank mag geen uitzonderingspositie ontlenen aan haar rol in het betalingsverkeer (vaste HR-lijn).
- 5Onrechtmatige verrekening verstoort de rangorde van schuldeisers en benadeelt de gezamenlijke crediteuren.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en beschermt de vaste Hoge Raad-rechtspraak over art. 54 Fw: banken mogen inkomende betalingen na faillissementspeilmoment niet buiten de goede-trouwtoets verrekenen. Uitzonderingen op deze regel blijven zeer beperkt.
Praktische impact
Banken kunnen NOW-subsidies en andere inkomende betalingen na het faillissementspeilmoment niet zonder meer verrekenen met uitstaande vorderingen; curatoren worden sterker in hun positie om dergelijke verrekeningen aan te vechten.
Onderwerp-impact
Voor faillissementen waarbij NOW-subsidies of andere overheidsbetalingen zijn ontvangen op geblokkeerde rekeningen, is verrekening door de bank in beginsel niet toegestaan zonder te goeder trouw te handelen.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of een bank een inkomende NOW-subsidie-betaling van UWV op de rekening van een failliete vennootschap mocht verrekenen met haar eigen vorderingen op diezelfde rekeninghouder, ook als deze betaling na het faillissementspeilmoment van art. 54 lid 1 Fw binnenkwam. Het hof had geoordeeld dat art. 54 lid 1 Fw hieraan niet in de weg stond, omdat de situatie rondom het uitvoeren van reeds gegeven betalingsopdrachten een bijzondere positie inneemt. De curator stelde cassatie in en voerde aan dat het hof daarmee ten onrechte afweek van vaste Hoge Raad-rechtspraak. De Hoge Raad stelt voorop dat wanneer een schuldenaar van een rekeninghouder zijn schuld voldoet door storting op diens bankrekening, de bank zich door creditering van die rekening tot schuldenaar van de rekeninghouder maakt. Deze inkomende betaling geldt als een door de bank overgenomen schuld. Op grond van art. 54 lid 1 Fw mag de bank een dergelijke schuld niet verrekenen als zij daarbij niet te goeder trouw handelde — dat wil zeggen als zij wist van de betalingsonmacht of het naderende faillissement van de rekeninghouder. Het hof had door zijn oordeel in feite een nieuwe uitzondering gecreëerd ten gunste van banken, die niet strookt met deze vaste jurisprudentielijn. De Hoge Raad benadrukt dat uitzonderingen op de verrekeningsbeperkingen van art. 54 Fw zeer beperkt moeten worden opgevat en dat banken geen bijzondere positie mogen ontlenen aan hun rol in het betalingsverkeer. Ongerechtvaardigde verrekening leidt bovendien tot een verstoring van de rangorde en benadeelt de gezamenlijke schuldeisers. De Hoge Raad casseert het oordeel van het hof op dit punt en stelt de rechtsregel opnieuw vast zoals die al jaren geldt.