Hoge Raad: rechthebbende moet worden gehoord bij bewindvoerdersbeloning
ECLI:NL:HR:2026:1281, Hoge Raad, 17-07-2026, 26/00083
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Personen- en familierecht. Beschermingsbewind. Art. 3 lid 5, aanhef en onder b, Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Heeft bewindvoerder recht op vergoeding voor werkzaamheden in verband met verhuizing van rechthebbende? Is rechthebbende belanghebbende?
Kern van de zaak
Een bewindvoerder verzocht de kantonrechter om toekenning van aanvullende beloningen op grond van art. 3 lid 5 Regeling beloning bewindvoerders. De kantonrechter stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zonder de rechthebbende (de onder bewind gestelde persoon) de kans te geven zich hierover uit te laten.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad oordeelt dat de prejudiciële vragen thans niet in behandeling kunnen worden genomen, omdat de kantonrechter heeft nagelaten de rechthebbende in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het voornemen prejudiciële vragen te stellen en over de inhoud daarvan. De doorslaggevende reden is dat de rechthebbende als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv had moeten worden gehoord, nu de bewindvoerdersbeloning rechtstreeks ten laste van de rechthebbende komt.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een procedurele beslissing van de Hoge Raad die een duidelijke norm stelt over de hoorplicht in bewindvoerdingszaken bij prejudiciële verwijzingen; de materiële rechtsvraag over de bewindvoerdersbeloning blijft echter onbeantwoord, wat de directe impact begrenst.
Belangrijkste punten
- 1Art. 392 lid 2 Rv verplicht de rechter partijen te horen vóór het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad.
- 2De rechthebbende is belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv, omdat de bewindvoerdersbeloning rechtstreeks op zijn rechten en verplichtingen betrekking heeft.
- 3De rechthebbende moet de beloning van de bewindvoerder betalen, waardoor hij rechtstreeks wordt geraakt door de beslissing op het beloningsverzoek.
- 4De kantonrechter had de rechthebbende uitdrukkelijk moeten uitnodigen zijn zienswijze te geven over zowel het voornemen als de inhoud van de te stellen vragen.
- 5De Hoge Raad weigert de prejudiciële vragen in behandeling te nemen zolang dit procedureel verzuim niet is hersteld.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt dat de hoorplicht van art. 392 lid 2 Rv ook geldt ten aanzien van de rechthebbende in bewindvoerdingszaken, en dat schending van deze plicht leidt tot niet-ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing. Dit bevestigt een strikte toepassing van de procedurele vereisten bij prejudiciële vragen.
Praktische impact
Kantonrechters die in bewindvoerdingszaken prejudiciële vragen willen stellen, moeten voortaan expliciet de rechthebbende oproepen en hem de gelegenheid geven zich uit te laten, op straffe van niet-behandeling door de Hoge Raad.
Onderwerp-impact
Voor bewindvoerders en rechthebbenden betekent dit dat beloningskwesties op grond van de Regeling beloning bewindvoerders pas via prejudiciële procedure kunnen worden beslecht nadat alle belanghebbenden, inclusief de rechthebbende, procedureel correct zijn betrokken.
Samenvatting
In deze zaak had een bewindvoerder de kantonrechter verzocht om toekenning van aanvullende beloningen conform art. 3 lid 5 van de Regeling beloning bewindvoerders en mentoren. De kantonrechter stelde in een tussenbeschikking van 14 november 2025 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de uitleg van deze beloningsregeling. Daarbij had de kantonrechter echter nagelaten om de rechthebbende — de persoon wiens vermogen onder bewind is gesteld — vooraf in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over zowel het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen als over de inhoud van die vragen, zoals art. 392 lid 2 Rv voorschrijft. De Hoge Raad oordeelt dat de prejudiciële vragen in dit stadium niet in behandeling kunnen worden genomen. De kern van de redenering is dat de rechthebbende kwalificeert als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv: de beloning van de bewindvoerder — inclusief de aanvullende beloningen van art. 3 lid 5 Regeling beloning — moet immers door de rechthebbende worden betaald. Daarmee heeft de beslissing op het beloningsverzoek rechtstreeks betrekking op zijn rechten en verplichtingen. Nu de rechthebbende rechtstreeks financieel wordt geraakt, had de kantonrechter hem moeten horen voordat de prejudiciële vragen werden geformuleerd en doorverwezen. Deze uitspraak heeft een duidelijke procedurele boodschap: de hoorplicht van art. 392 lid 2 Rv is niet beperkt tot formele procespartijen, maar strekt zich uit tot alle belanghebbenden in de zin van art. 798 Rv. Voor de praktijk van bewindvoerdingszaken betekent dit dat rechters die overwegen prejudiciële vragen te stellen over beloningskwesties, uitdrukkelijk en tijdig de rechthebbende moeten betrekken. Niet-naleving van deze procedurele verplichting leidt ertoe dat de Hoge Raad de vragen niet in behandeling neemt. De materiële rechtsvraag over de uitleg van de Regeling beloning blijft daardoor vooralsnog onbeantwoord.