Hoge Raad: bewijslast verkoopopbrengst buitenlandse woning bij echtscheiding
ECLI:NL:HR:2026:1219, Hoge Raad, 10-07-2026, 25/03398
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Personen- en familierecht. Huwelijksvermogensrecht. Heeft vrouw haar betwisting m.b.t. opbrengst van eerder door haar verkochte woning in Tsjechië voldoende onderbouwd? Was t.a.v. opbrengst van die woning door man gedaan verzoek o.g.v. art. 843a (oud) Rv te ongespecificeerd? Is hof buiten grenzen van rechtsstrijd getreden met oordeel dat wanneer voor draagkracht van man volledig rekening wordt gehouden met aflossingen door man op huwelijkse schulden, hij in zoverre dus geen regresvordering op vrouw krijgt?
Kern van de zaak
Na echtscheiding twisten man en vrouw over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De vrouw ontving een woning in Tsjechië (mogelijk onder uitsluitingsclausule), verkocht deze voor ruim €88.500 en stelde de opbrengst te hebben uitgegeven. De man vorderde aanspraak op (een deel van) de verkoopopbrengst.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad behandelt de zaak waarbij het hof de bewijslast voor het voortbestaan van de verkoopopbrengst bij de man heeft gelegd. Het hof oordeelde dat nu de vrouw het bestaan van een resterend saldo ontkende, de man diende te bewijzen dat er nog een bankrekening in Tsjechië met saldo bestond; nu de man dit niet kon aantonen, treft zijn grief geen doel.
Impactscore
HoogHet betreft een Hoge Raad-uitspraak over bewijslastverdeling bij huwelijksgemeenschap met buitenlandse vermogensbestanddelen, een thema met brede praktische relevantie in internationale echtscheidingsprocedures; de uitkomst is niet fundamenteel nieuw maar verduidelijkt bestaande regels op een voor de praktijk relevant punt.
Belangrijkste punten
- 1De vrouw slaagde er niet in aan te tonen dat de Tsjechische woning onder een uitsluitingsclausule was geschonken, waardoor de verkoopopbrengst (ruim €88.500) in beginsel tot de huwelijksgemeenschap behoorde.
- 2Bepalend voor de omvang van de gemeenschap is de aanwezigheid van de opbrengst op de peildatum van ontbinding; de vrouw stelde de gelden te hebben uitgegeven.
- 3Het hof legde de bewijslast voor het voortbestaan van de opbrengst (aanwezigheid op bankrekening) bij de man, nu de vrouw het resterend saldo gemotiveerd betwistte.
- 4Het verzoek ex artikel 843a Rv (exhibitieplicht) werd afgewezen wegens onvoldoende specificatie en gelet op het verweer van de vrouw.
- 5Bewijsnood van de man komt voor zijn eigen rekening en risico; er was geen grond voor omkering van de bewijslast.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de verdeling van stelplicht en bewijslast bij huwelijksgemeenschappen met buitenlandse vermogensbestanddelen: de partij die stelt dat een gemeenschapsgoed nog aanwezig is, draagt hiervan de bewijslast wanneer de wederpartij gemotiveerd betwist dat het goed nog bestaat. Tevens bevestigt het de terughoudende toepassing van artikel 843a Rv bij onvoldoende gespecificeerde verzoeken.
Praktische impact
Echtgenoten die aanspraak maken op (buitenlandse) vermogensbestanddelen dienen tijdig en concreet bewijs te vergaren; het ontbreken van toegang tot buitenlandse bankgegevens levert geen grond op voor bewijslastomkering en treft de eisende partij.
Onderwerp-impact
In echtscheidingsprocedures met internationale vermogensbestanddelen is het voor de verdelende partij essentieel om reeds vroeg in de procedure documentatie over buitenlands vermogen en bankrekeningen veilig te stellen, bij gebreke waarvan bewijsnood voor eigen rekening komt.
Samenvatting
In deze echtscheidingszaak stond de verdeling van de huwelijksgemeenschap centraal, met name de vraag of de verkoopopbrengst van een woning in Tsjechië nog tot het gemeenschapsvermogen behoorde op de peildatum van ontbinding. De vrouw had gesteld dat de woning haar onder een uitsluitingsclausule door haar grootmoeder was geschonken. Het hof stelde vast dat de door de vrouw overgelegde Tsjechische akte slechts gedeeltelijk was vertaald en dat uit die beperkte vertaling niet volgde dat sprake was van een uitsluitingsclausule. De woning viel daarmee in beginsel in de huwelijksgemeenschap en ook de verkoopopbrengst van ruim €88.500, die in 2016 op een Tsjechische bankrekening van de vrouw was bijgeschreven. De vrouw stelde vervolgens dat zij de gelden had uitgegeven en geen bankrekening in Tsjechië meer had. Het hof oordeelde dat in dat geval de bewijslast voor het voortbestaan van de opbrengst op de peildatum bij de man lag: hij diende aan te tonen dat er nog een bankrekening met saldo bestond. Nu de man dit bewijs niet kon leveren en er geen grond was voor omkering van de bewijslast, moest zijn bewijsnood voor zijn eigen rekening en risico komen. Het verzoek op grond van artikel 843a Rv om de vrouw te verplichten bankbescheiden over te leggen, werd afgewezen omdat dit verzoek onvoldoende was gespecificeerd, mede in het licht van het verweer van de vrouw. De Hoge Raad behandelt de zaak vanuit het perspectief van de door het hof gehanteerde bewijslastverdeling. De uitspraak bevestigt dat bij gemotiveerde betwisting van de aanwezigheid van gemeenschapsgoed de eisende partij de bewijslast draagt. Dit heeft praktische betekenis voor alle gevallen waarin vermogensbestanddelen zich in het buitenland bevinden en de toegang tot bewijs feitelijk beperkt is: tijdige actie om bewijs veilig te stellen is essentieel.