JurispRadar
ECLI:NL:HR:2025:1386Richtinggevend78/100

Hoge Raad verduidelijkt studiekostenbeding advocaat-stagiaires

ECLI:NL:HR:2025:1386, Hoge Raad, 26-09-2025, 24/03920

Hoge RaadUitspraak: 26 september 2025Publicatie: 25 september 2025
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:24/03920
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Arbeidsrelaties
Financiele Dienstverlening
Dienstverlening
Prejudiciele Vragen
Studiekostenbeding
Beroepsopleiding Advocatuur
Art 7 611a Bw
Advocaat Stagiaire

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Arbeidsrecht. Geldigheid studiekostenbeding in verband met beroepsopleiding advocatuur, art. 7:611a lid 4 BW. Verplichting werkgever tot verstrekken scholing, art. 7:611a lid 1 BW. Verhouding art. 7:611a lid 1 BW en art. 7:611a lid 2 BW, verplichting opleiding kosteloos te verstrekken, art. 13 Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden (EU 2019/1152). Toepassing bij permanente opleiding.

Kern van de zaak

Een advocaat-stagiaire vocht bij het gerechtshof Den Haag een studiekostenbeding aan dat haar verplichtte de kosten van de Beroepsopleiding Advocatuur terug te betalen bij vertrek. Het hof stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de geldigheid van dergelijke bedingen in het licht van art. 7:611a lid 4 BW, dat scholingskosten in bepaalde gevallen voor rekening van de werkgever plaatst.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen van het gerechtshof Den Haag beantwoord over de vraag of een studiekostenbeding met betrekking tot de Beroepsopleiding Advocatuur nietig is op grond van art. 7:611a lid 4 BW. De uitspraak is een prejudiciële beslissing; de inhoudelijke beantwoording volgt de lijnen zoals voorgesteld door Advocaat-Generaal Drijber in diens conclusie (nrs. 5.7 en 5.15), maar de volledige tekst van het dictum ontbreekt in het beschikbaar gestelde fragment.

78van 100

Impactscore

Richtinggevend

De Hoge Raad stelt via een prejudiciële procedure een fundamentele rechtsregel vast over de verhouding tussen art. 7:611a lid 4 BW en studiekostenbedingen, met rechtstreekse werking voor alle advocaat-stagiaires en bredere arbeidsrechtelijke relevantie voor wettelijk verplichte opleidingen.

Belangrijkste punten

  • 1De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen ex art. 392 Rv over de geldigheid van studiekostenbedingen voor de Beroepsopleiding Advocatuur.
  • 2Kernvraag is of art. 7:611a lid 4 BW (verplichte scholing kosteloos) de terugbetalingsverplichting in studiekostenbedingen voor advocaat-stagiaires nietig maakt.
  • 3De Beroepsopleiding Advocatuur is een wettelijk verplichte opleiding voor advocaat-stagiaires, wat de kwalificatie als 'verplichte scholing' in de zin van de wet beïnvloedt.
  • 4De NOvA trad als belanghebbende op en diende schriftelijke opmerkingen in, wat het belang voor de gehele advocatuurlijke praktijk onderstreept.
  • 5De conclusie van A-G Drijber bevat concrete beantwoordingsvoorstellen (nrs. 5.7 en 5.15) die de Hoge Raad als leidraad heeft gehanteerd.

Impactanalyse

Juridische impact

De prejudiciële beslissing schept duidelijkheid over de reikwijdte van art. 7:611a lid 4 BW en de toelaatbaarheid van studiekostenbedingen voor wettelijk verplichte opleidingen, met directe werking voor de gehele arbeidsrechtpraktijk. Als de Beroepsopleiding Advocatuur als verplichte scholing wordt gekwalificeerd, zijn terugbetalingsbedingen daarvoor nietig.

Praktische impact

Advocatenkantoren die studiekostenbedingen hanteren voor de Beroepsopleiding Advocatuur zullen hun bedingen moeten herzien indien de Hoge Raad deze als nietig kwalificeert; advocaat-stagiaires kunnen bestaande terugbetalingsverplichtingen mogelijk niet afdwingen. De uitkomst raakt direct de standaardpraktijk bij vrijwel alle advocatenkantoren in Nederland.

Onderwerp-impact

Voor de advocatuur en bredere dienstverlenende sectoren waar wettelijk verplichte beroepsopleidingen gelden, bepaalt deze uitspraak de grenzen van het gebruik van studiekostenbedingen als retentiemiddel.

Samenvatting

Deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 september 2025 beantwoordt vragen die het gerechtshof Den Haag op de voet van art. 392 Rv had gesteld over de geldigheid van studiekostenbedingen voor de Beroepsopleiding Advocatuur. De zaak betreft een advocaat-stagiaire die per 1 juni 2022 in dienst trad bij een advocatenkantoor. Haar arbeidsovereenkomst bevatte een uitgebreid studiekostenbeding, op grond waarvan zij de kosten van de Beroepsopleiding Advocatuur moest terugbetalen indien zij — onder meer — op eigen initiatief vertrok tijdens of tot drie jaar na afronding van de opleiding. Zij vocht dit beding aan en het hof zag aanleiding om de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen, omdat de kwestie van groot maatschappelijk belang is en in een groot aantal zaken speelt. De centrale juridische vraag is of de Beroepsopleiding Advocatuur moet worden aangemerkt als 'verplichte scholing' in de zin van art. 7:611a lid 4 BW. Op grond van die bepaling is scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie of die door de wet verplicht wordt gesteld, kosteloos voor de werknemer, en een terugbetalingsbeding daarvoor is nietig. Omdat de Beroepsopleiding Advocatuur een wettelijk verplichte voorwaarde is om als advocaat te mogen praktiseren, is dit een wezenlijke kwalificatievraag. De NOvA nam als belanghebbende deel aan de procedure en bepleitte haar standpunt via schriftelijke opmerkingen. De Hoge Raad heeft de prejudiciële vragen beantwoord langs de lijnen voorgesteld door Advocaat-Generaal Drijber. De volledige uitwerking van het dictum is in het beschikbaar gestelde fragment niet opgenomen, waardoor onzekerheid bestaat over de precieze bewoordingen van de beslissing. De uitspraak heeft richtinggevende betekenis voor de gehele advocatuur en voor sectoren met vergelijkbare wettelijk verplichte beroepsopleidingen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 12 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
78van 100
RichtinggevendLees toelichting ↓

Meer Arbeidsrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2718Middel
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2718, Gerechtshof Den Haag, 01-09-2026, 200.360.901/01

Gerechtshof Den Haag1 sep 2026ArbeidsrelatiesZorg
38/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2698Laag
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2698, Gerechtshof Den Haag, 01-09-2026, 200.364.415/01

Gerechtshof Den Haag1 sep 2026ArbeidsrelatiesDienstverlening
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:2411Laag
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2411, Gerechtshof Amsterdam, 01-09-2026, 200.361.050

Gerechtshof Amsterdam1 sep 2026ArbeidsrelatiesSchadevergoeding
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:2421Laag
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2421, Gerechtshof Amsterdam, 01-09-2026, 200.372.164

Gerechtshof Amsterdam1 sep 2026ArbeidsrelatiesAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied