Werkgever veroordeeld tot €778.000 billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen
ECLI:NL:GHSHE:2026:834, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26-03-2026, 200.350.045_01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)WWZ; pensioenschade als onderdeel van de billijke vergoeding
Kern van de zaak
Een werkneemster heeft haar werkgever aangesproken na ontslag, waarbij zij stelt dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In hoger beroep lag nog de hoogte van de pensioenschade ter beoordeling voor, als onderdeel van een bredere ontslagprocedure.
Beslissing van de rechter
Het hof vernietigt de eerdere beschikking gedeeltelijk, verklaart voor recht dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en veroordeelt hem tot betaling van een billijke vergoeding van €778.378,80 bruto. De doorslaggevende reden is het vastgestelde ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever jegens de werkneemster.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een individuele arbeidsrechtelijke zaak met een substantieel financieel belang, maar stelt geen nieuwe rechtsnormen en heeft beperkte precedentwerking buiten de directe omstandigheden van dit geval.
Belangrijkste punten
- 1Ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever jegens de werkneemster is voor recht verklaard
- 2Billijke vergoeding vastgesteld op €778.378,80 bruto, een aanzienlijk bedrag
- 3Pensioenschade was in geschil: werknemer vorderde €289.507, eigen adviseur berekende €269.299, werkgeversadviseur maximaal €180.905
- 4Het voornaamste geschilpunt over pensioenschade betrof de na-indexatie van 2% na pensioeningangsdatum, die voorwaardelijk en onzeker is
- 5Werkgever veroordeeld in proceskosten eerste aanleg (€814) en hoger beroep (€4.232)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat rechters bij de vaststelling van billijke vergoedingen ook toekomstige pensioenschade meewegen, waarbij onzekerheid over voorwaardelijke indexatie een rol speelt bij de schadeberekening. De voor-rechtverklaring van ernstig verwijtbaar handelen heeft zelfstandige juridische betekenis naast de vermogensrechtelijke veroordeling.
Praktische impact
De werkgever moet een aanzienlijk bedrag van ruim €778.000 bruto betalen aan de werkneemster, bovenop de proceskosten. Voor werknemers in soortgelijke situaties onderstreept deze uitspraak het belang van een gedegen pensioenadviseur en de mogelijkheid om ook toekomstige pensioenschade vergoed te krijgen.
Onderwerp-impact
In arbeidsrechtelijke ontslagzaken wordt pensioenschade als onderdeel van de billijke vergoeding erkend, waarbij discussies over actuariële aannames (zoals na-indexatie) bepalend kunnen zijn voor de hoogte van de uiteindelijke vergoeding.
Samenvatting
In deze hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond centraal de vraag of een werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld jegens zijn werkneemster en, zo ja, welke billijke vergoeding – inclusief pensioenschade – verschuldigd was. De werkneemster had ontslag gekregen en vorderde naast een billijke vergoeding ook vergoeding van haar pensioenschade, die zij berekende op €289.507, hoewel haar eigen pensioenadviseur uitkwam op €269.299. De werkgever betwistte de omvang van de schade en stelde op basis van een eigen pensioenadviseur dat de schade maximaal €180.905 bedroeg. Het centrale geschilpunt was de veronderstelde na-indexatie van 2% na de pensioeningangsdatum, die de adviseur van de werkneemster wel meennam en die van de werkgever niet. De werkneemster erkende dat deze na-indexatie voorwaardelijk en onzeker is, afhankelijk van winstdeling van Nationale Nederlanden en mogelijke bijdragen van de werkgever, maar betoogde dat toekomstige indexatie niet volledig kan worden uitgesloten. Het hof heeft de eerdere beschikking van de kantonrechter gedeeltelijk vernietigd. Het hof verklaart voor recht dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten jegens de werkneemster. Op basis daarvan veroordeelt het hof de werkgever tot betaling van een billijke vergoeding van €778.378,80 bruto, een substantieel bedrag dat de omvang van het verwijtbaar handelen en de geleden schade – inclusief de pensioendimensie – weerspiegelt. De werkgever wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van zowel de eerste aanleg (€814) als het hoger beroep (€4.232). De afwijzing van het verzoek tot betaling van een bonusbedrag blijft in stand. De uitspraak illustreert hoe actuariële onzekerheden over toekomstige pensioenindexatie een complexe factor vormen bij de begroting van pensioenschade in ontslagzaken.