Eiswijziging pensioenschade te laat ingediend door werknemers
ECLI:NL:GHDHA:2026:946, Gerechtshof Den Haag, 12-05-2026, 200.324.131/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vervolg op ECLI:NL:GHDHA:2025:136 en ECLI:NL:GHDHA:2025:1542; het hof constateert dat Aon niet geheel aan de instructies van zijn tweede tussenarrest is voldaan en verzoekt Aon aanvullende informatie aan te leveren.
Kern van de zaak
Een groep werknemers (appellanten) procedeert tegen Aon wegens een pensioengeschil. In hoger beroep proberen zij hun eis te wijzigen om vervangende schadevergoeding te vorderen op basis van de Uniforme Rekenmethodiek (URM), inclusief advieskosten en maandelijkse compensatie voor nog in dienst zijnde werknemers.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de eiswijziging af wegens tardiviteit: een eiswijziging geldt als een grief en had bij memorie van grieven ingediend moeten worden. De wijziging is te laat ingediend, zodat het hof Aon geen gelegenheid hoeft te bieden hierop te reageren.
Impactscore
LaagHet betreft een toepassing van een bekende procesrechtelijke regel (eiswijziging = grief) in een specifieke pensioenzaak, zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De uitspraak is relevant voor de betrokken partijen maar heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Een eiswijziging in hoger beroep geldt als grief en dient in beginsel bij memorie van grieven te worden ingediend
- 2De eiswijziging was gericht op het vervangen van de nakoming van de middenloonregeling door vervangende schadevergoeding op basis van de URM (art. 14a t/m 14j Regeling pensioenwet)
- 3Het hof had in een eerder tussenarrest (18 februari 2025) al geoordeeld dat vervangende schadevergoeding aangewezen is
- 4De vordering omvatte ook maandelijkse compensatie voor nog in dienst zijnde werknemers en uitbreiding van koopsomberekeningen na 2024
- 5Aon is niet in de gelegenheid gesteld te reageren op de eiswijziging, nu deze reeds op formele gronden wordt verworpen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste leer dat een eiswijziging in hoger beroep als grief kwalificeert en tijdig bij memorie van grieven moet worden ingediend, op straffe van tardiviteit. Dit beperkt de mogelijkheden van appellanten om hun vorderingen in een laat stadium van het geding aan te passen.
Praktische impact
De werknemers kunnen hun gewijzigde pensioenvordering op basis van de URM niet meer inbrengen in deze procedure, wat betekent dat de schadevergoeding op basis van het eerder vastgestelde kader wordt berekend. Dit kan aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor de hoogte van de toe te wijzen pensioenschade.
Onderwerp-impact
Voor pensioengeschillen in de arbeidsrelatie benadrukt deze uitspraak het belang van tijdige en volledige formulering van vorderingen in hoger beroep; een late aanpassing van de rekenmethodiek of grondslag wordt niet geaccepteerd.
Samenvatting
In deze procedure bij het Gerechtshof Den Haag vordert een groep werknemers (appellanten) schadevergoeding van Aon wegens een pensioengeschil. In een eerder tussenarrest van 18 februari 2025 had het hof al geoordeeld dat vervangende schadevergoeding aangewezen is. In het kader van de verdere procedure wilden de appellanten hun eis wijzigen: in plaats van nakoming van de middenloonregeling werd vervangende schadevergoeding gevorderd op basis van de Uniforme Rekenmethodiek (URM, artikel 14a tot en met 14j van de Regeling pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling), uitgaande van het vijfde percentiel van de pensioenbedragen. Daarnaast werd maandelijkse compensatie gevorderd voor drie werknemers die nog in dienst zijn, uitbreiding van de koopsomberekeningen over de periode na 2024, en vergoeding van advieskosten en buitengerechtelijke kosten. Het hof verwerpt de eiswijziging op formele gronden. Naar vaste procesrechtelijke leer kwalificeert een eiswijziging in hoger beroep als een grief en dient deze in beginsel te worden ingediend bij de memorie van grieven. Nu de eiswijziging op een later moment in de procedure is gedaan, is zij tardief. Om die reden wordt Aon niet in de gelegenheid gesteld hierop te reageren, nu dat processueel niet noodzakelijk is. Het hof verwijst daarbij ook naar zijn eerdere overwegingen in het tussenarrest over de grondslag voor vervangende schadevergoeding. De praktische consequentie is dat de schadevergoeding wordt berekend op basis van het eerder vastgestelde juridische kader, zonder de door appellanten gewenste aanpassing naar de URM-methodiek. Deze uitkomst onderstreept het belang voor procespartijen om hun vorderingen en grondslagen tijdig en volledig te formuleren bij aanvang van het hoger beroep.