ZW-uitkering geweigerd na berusten in ontslag op staande voet
ECLI:NL:CRVB:2026:549, Centrale Raad van Beroep, 07-05-2026, 25/162 ZW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Weigering uitbetaling ZW-uitkering. Ontslag wegens vertrouwensbreuk. Benadelingsbehandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Door beëindiging van het dienstverband is een einde gekomen aan de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. Appellant heeft in de civiele procedures niet gevorderd om de dienstbetrekking te herstellen. Het UWV heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat appellant dit in overwegende mate kan worden verweten. Het bestreden besluit is daarom vernietigd en het UWV is opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.
Kern van de zaak
Een werknemer werd op staande voet ontslagen tijdens ziekte en berustte in het ontslag zonder herstel te vorderen. De eigenrisicodrager verzocht het UWV de ZW-uitkering te weigeren omdat de werknemer onvoldoende verweer had gevoerd tegen beëindiging van de dienstbetrekking.
Beslissing van de rechter
Het UWV heeft het ziekengeld geheel en blijvend geweigerd op grond van artikel 45 lid 1 sub j ZW; de Centrale Raad van Beroep behandelt het hoger beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar. De doorslaggevende reden is dat appellant zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verder verweer te voeren tegen de beëindiging van zijn dienstbetrekking, waardoor hij zelf de loondoorbetalingsverplichting heeft laten eindigen.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een relatief specifieke samenloopsituatie van onterecht ontslag op staande voet tijdens ziekte en ZW-weigering, maar de uitkomst sluit aan bij bestaande jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2015:1903) en heeft beperkte richtinggevende meerwaarde.
Belangrijkste punten
- 1Appellant was ziekgemeld op het moment van ontslag op staande voet (13 juli 2021 ziekmelding, 8 oktober 2021 ontslag)
- 2Appellant berustte civielrechtelijk in het ontslag en vroeg geen herstel van de dienstbetrekking, slechts vergoedingen
- 3Gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde dat er geen dringende reden was voor ontslag op staande voet
- 4UWV weigerde het ziekengeld geheel en blijvend op grond van art. 45 lid 1 sub j ZW wegens het nalaten van verweer
- 5Eigenrisicodrager initieerde het UWV-besluit via art. 45 lid 1 sub j ZW, waarbij de werknemer er niet alles aan heeft gedaan om loon te behouden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een ZW-gerechtigde werknemer die berust in een (later onrechtmatig bevonden) ontslag op staande voet zonder herstel te vorderen, het risico loopt dat het ziekengeld geheel en blijvend wordt geweigerd op grond van artikel 45 lid 1 sub j ZW. Dit onderstreept de eigen verantwoordelijkheid van de zieke werknemer om het recht op loondoorbetaling actief te beschermen.
Praktische impact
Voor zieke werknemers die worden ontslagen op staande voet is het van groot belang tijdig te verzoeken om herstel van de dienstbetrekking en niet slechts te berusten in het ontslag met een vergoedingsverzoek, op straffe van verlies van ZW-uitkering. Eigenrisicodragers hebben een effectief instrument om ZW-uitkering te laten weigeren wanneer werknemers onvoldoende actie ondernemen.
Onderwerp-impact
Binnen het socialezekerheidsrecht en de arbeidsrechtelijke praktijk rondom ziekte en ontslag wordt de samenloop van een onterecht ontslag op staande voet en ZW-aanspraken verder verduidelijkt, met name de rol van de proceshouding in civiele procedures voor het recht op uitkering.
Samenvatting
Deze zaak bij de Centrale Raad van Beroep draait om een werknemer die in dienst was als technisch specialist en zich in juli 2021 ziekmeldde. In oktober 2021 werd hij door zijn werkgever op staande voet ontslagen wegens een vertrouwensbreuk. In de daaropvolgende civiele procedures berustte de werknemer in het ontslag en verzocht hij uitsluitend om financiële vergoedingen; herstel van de dienstbetrekking werd niet gevorderd. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch stelde later vast dat er geen dringende reden was voor het ontslag op staande voet en kende slechts een bescheiden billijke vergoeding toe. De werkgever, die eigenrisicodrager is voor de Ziektewet, verzocht het UWV op grond van artikel 45 lid 1 sub j ZW een besluit te nemen over de ZW-uitkering. Het standpunt was dat de werknemer zonder deugdelijke grond had nagelaten verweer te voeren tegen de beëindiging van de dienstbetrekking, waardoor hij het recht op loondoorbetaling eerder liet eindigen dan nodig was. Het UWV weigerde het ziekengeld geheel en blijvend, omdat de werknemer er niet alles aan had gedaan om zo lang mogelijk loon van de werkgever te ontvangen. Het bezwaar van de werknemer werd ongegrond verklaard. De juridische kern van de zaak is de vraag of het enkel verzoeken om een billijke vergoeding — zonder herstel van de dienstbetrekking te vorderen — als een deugdelijke grond kan gelden voor het niet verder voeren van verweer tegen de ontbinding. De Centrale Raad beoordeelt dit in hoger beroep. De zaak illustreert de ingrijpende gevolgen die een processuele keuze in een civiele ontslagprocedure kan hebben voor het recht op een socialeverzekeringsuitkering, en benadrukt dat zieke werknemers die onterecht worden ontslagen actief moeten optreden om hun loonaanspraken — en daarmee hun ZW-rechten — veilig te stellen.