Hof bekrachtigt: Hoogheemraadschap niet aansprakelijk voor onjuiste inlichtingen
ECLI:NL:GHDHA:2026:2882, Gerechtshof Den Haag, 29-09-2026, 200.352.831/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bestuursdwang, Herstelkosten kademuur voor rekening van Hoomheemraadschap of eigenaar van de kademuur?, onrechtmatige daad, verstrekken van onjuiste/onvolledige inlichtingen (maatstaf 's-Hertogenbosch/Van Zoggel), niet nakomen van toezegging (maatstaf Amsterdamse Dakopbouw).
Kern van de zaak
Appellante stelt dat het Hoogheemraadschap onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste of onvolledige inlichtingen te verstrekken over het onderhoud van een kade, en door een toezegging tot herstel niet na te komen. Na verlies in eerste aanleg bij de rechtbank Den Haag (oktober 2024) gaat appellante in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 30 oktober 2024 en wijst de vorderingen van appellante af. Doorslaggevend is dat appellante niet heeft aangetoond dat hij redelijkerwijs erop mocht vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, zodat van onrechtmatig handelen geen sprake is. Appellante wordt tevens veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep van € 2.230,00.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke bevestiging van bestaand recht in een individueel geschil tussen een burger en een waterschap zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Het hof past de maatstaf toe uit HR 25 mei 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW0219) inzake aansprakelijkheid voor onjuiste overheidsinlichtingen.
- 2Aansprakelijkheid wegens onjuiste inlichtingen vereist dat de belanghebbende redelijkerwijs mocht vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie.
- 3Appellante voerde twee grondslagen aan: (1) onjuiste/onvolledige inlichtingen over kadeonderhoud, en (2) niet-nakoming van een toezegging tot kadeherstel.
- 4Beide grondslagen worden verworpen; grief 6 over de onderzoeksplicht van appellante faalt eveneens.
- 5De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 2.230,00 ten laste van appellante.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het HR-arrest 's-Hertogenbosch/Van Zoggel als standaardmaatstaf voor overheidsonrechtmatige daad via onjuiste inlichtingen, waarbij de drempel voor succesvol beroep op vertrouwen hoog blijft. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
Voor appellante betekent de uitkomst dat hij geen schadevergoeding ontvangt voor de gestelde schade door de onjuiste inlichtingen en het niet-herstelde kadeonderhoud, en bovendien de proceskosten van ruim € 2.200,00 moet dragen.
Onderwerp-impact
Waterschappen en andere overheidslichamen worden bevestigd in de bestaande lijn dat zij niet snel aansprakelijk zijn voor informatieverstrekking over beheer en onderhoud van waterstaatswerken, tenzij bij gerechtvaardigd vertrouwen van de burger.
Samenvatting
In deze zaak voor het Gerechtshof Den Haag stond de vraag centraal of het Hoogheemraadschap onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellante door onjuiste of onvolledige inlichtingen te verstrekken over het gewoon en buitengewoon onderhoud van een kade, en door een toezegging tot herstel van die kade niet na te komen. Appellante had in eerste aanleg bij de rechtbank Den Haag (vonnis 30 oktober 2024) al het onderspit gedolven en tekende hoger beroep aan met meerdere grieven, waaronder grief 6 over de vraag of hij zijn eigen onderzoeksplicht had nageleefd. Het hof behandelt de grieven gezamenlijk en toetst de eerste grondslag — de onjuiste of onvolledige inlichtingen — aan de maatstaf die de Hoge Raad formuleerde in het arrest 's-Hertogenbosch/Van Zoggel (HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219). Volgens die maatstaf is aansprakelijkheid wegens onjuiste overheidsinlichtingen slechts aan de orde indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop mocht vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven. Daarbij zijn bepalend: de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de overheid daaromtrent had moeten begrijpen, alsmede de aard en inhoud van de verstrekte inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent had moeten begrijpen. Het hof oordeelt dat appellante niet heeft voldaan aan deze drempel: hij mocht niet redelijkerwijs vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de door het Hoogheemraadschap verstrekte informatie. Ook de tweede grondslag — de niet-nagekomen toezegging tot herstel — en grief 6 over de onderzoeksplicht worden verworpen. Het hof bekrachtigt dan ook het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep, begroot op € 2.230,00. De uitspraak bevestigt de bestaande rechtslijn zonder nieuwe rechtsregels te introduceren.