Dwangsom Dolfinarium vernietigd wegens onzorgvuldig onderzoek staatssecretaris
ECLI:NL:CBB:2026:477, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06-10-2026, 25/865
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Volgens de staatssecretaris stond de educatieve boodschap niet centraal tijdens een concert in het Dolfinarium en heeft het Dolfinarium daarmee de dierentuinvergunning overtreden. De staatssecretaris heef een last onder dwangsom opgelegd. Het College is van oordeel dat aan het dwangsombesluit geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag ligt op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat het Dolfinarium het voorschrift uit artikel 2.2, onder c, van de dierentuinvergunning heeft overtreden. Schending zorgvuldigheidsbeginsel, vernietiging bestreden besluit, herroeping dwangsombesluit.
Kern van de zaak
Het Dolfinarium ontving een dwangsombesluit van de staatssecretaris wegens vermeende overtreding van artikel 2.2 onder c van de dierentuinvergunning. Het Dolfinarium ging in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, stellende dat het onderzoek dat aan het besluit ten grondslag lag onzorgvuldig was uitgevoerd.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en het dwangsombesluit is herroepen. De doorslaggevende reden is dat de staatssecretaris het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden: aan het dwangsombesluit lag geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden ten grondslag.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft praktische betekenis voor de handhavingspraktijk in de dierentuinsector en bevestigt bestaande bestuursrechtelijke normen, maar introduceert geen fundamenteel nieuw recht en heeft een beperkt toepassingsbereik.
Belangrijkste punten
- 1Aan een handhavingsbesluit moet een deugdelijke en controleerbare feitenvaststelling ten grondslag liggen door een ter zake kundige persoon.
- 2De vastgestelde feiten dienen duidelijk te worden vastgelegd met vermelding van waar, wanneer, door wie en met welke werkwijze.
- 3Beeldmateriaal kan aanknopingspunten bieden maar moet op duidelijke en kenbare wijze bij het besluit worden betrokken en vastgelegd.
- 4Het CBb sluit aan bij zijn eerdere uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:7) over handhavingsvereisten.
- 5De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht (€ 385,-) en proceskosten (€ 3.200,-).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en versterkt de lijn uit ECLI:NL:CBB:2026:7 dat handhavingsbesluiten moeten steunen op aantoonbaar zorgvuldig en deskundig feitenonderzoek, waarbij ook de rol van beeldmateriaal nader wordt genormeerd. Bestuursorganen die handhavend optreden in de dierentuinsector (en breder) worden gehouden aan strenge eisen van transparantie en documentatie.
Praktische impact
Het Dolfinarium ontkomt aan de opgelegde dwangsom en ontvangt de proceskosten vergoed. De staatssecretaris zal bij toekomstig handhavend optreden zorgvuldiger en gedocumenteerder feitenonderzoek moeten verrichten alvorens een dwangsombesluit te nemen.
Onderwerp-impact
Voor houders van dierentuinvergunningen biedt deze uitspraak bescherming tegen handhaving die niet gebaseerd is op controleerbaar deskundigenonderzoek; toezichthouders in de zorgsector voor dieren worden aangespoord hun onderzoeksmethodiek te verbeteren.
Samenvatting
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 6 oktober 2026 uitspraak gedaan in het beroep van het Dolfinarium tegen een dwangsombesluit van de staatssecretaris. De staatssecretaris had het Dolfinarium een last onder dwangsom opgelegd wegens vermeende overtreding van artikel 2.2, onder c, van de dierentuinvergunning. Het Dolfinarium bestreed dit besluit met als kern het argument dat het onderzoek dat aan het dwangsombesluit ten grondslag lag onzorgvuldig was uitgevoerd. Het College oordeelde dat aan het dwangsombesluit geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden ten grondslag lag. Daarmee was niet aantoonbaar gemaakt dat het Dolfinarium het betreffende vergunningvoorschrift daadwerkelijk had overtreden. Het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, was dan ook geschonden. Het College sloot nauw aan bij zijn eerdere uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:7), waarin het had geoordeeld dat handhavingsbesluiten moeten steunen op waarnemingen door ter zake kundige personen, vastgelegd met vermelding van tijd, plaats, waarnemer en gehanteerde werkwijze. Datzelfde geldt voor beeldmateriaal: hoewel dat aanknopingspunten kan bieden voor handhavingsonderzoek, moet de betrokkenheid ervan bij het besluit op een duidelijke en kenbare wijze worden gedocumenteerd. Nu de staatssecretaris hieraan niet had voldaan, verklaarde het College het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herriep het dwangsombesluit. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht (€ 385,-) en de proceskosten (€ 3.200,-) van het Dolfinarium. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldig en gedocumenteerd feitenonderzoek als voorwaarde voor rechtmatig handhavend optreden.